
| isbn: | 9789056379292 |
|---|
| prijs: | € 24,95 |
|---|
| uitvoering: | gebonden, 200 pag. |
|---|
Alleen
Berichten uit de isoleercel
Een verblijf in de isoleercel wordt na afloop het liefst door iedereen verzwegen en vergeten. De schrijvers Wouter Kusters en Sam Gerrits doorbreken het zwijgen in dit boek over het ultieme alleen-zijn. Zij hebben hun eigen ervaringen in de isoleercel omgevormd tot verhalen van extraordinary madness. Daarmee doen zij het schier onmogelijke: van binnenuit geven ze de waanzin een stem zoals dat in de Nederlandse literatuur zelden is gedaan.
Het boek wordt op hallucinerende wijze geïllustreerd door de beeldend kunstenaar Jannemiek Tukker.
‘Ramen draaien naar buiten open. Maar het raam in de cel niet, merkt hij op. Dat is raar. Zit hij dan aan de buitenkant? Is wat hij buiten ziet eigenlijk binnen? Daar lijkt het wel op. Hij zit afgezonderd, geïsoleerd van het warm kloppende hart van de binnenkant van de mensheid.'
- Wouter Kusters
'Twee grimmig kijkende verplegers komen aangerend. Ik vecht door tot ze bij me staan. Dan laat ik me gewillig tegen de grond werken. Vanuit mijn positie tussen de koffievlekken en brandgaten in de vloerbedekking kijk ik omhoog naar mijn moeder. Ze zit zwaar ademend in de stoel, met haar handen voor haar mond."Mama, het is goed. Niet schrikken," zeg ik lief. Ik word weggeleid. Terwijl de stalen deur achter me dichtslaat - bekend geluid - laat ik me zakken op het plastic matras. Er is een land, bij u om de hoek, achter deuren van staal... Gelukkig mag ik mijn kleren aanhouden dit keer.'
- Sam Gerrits
Meer ervaringen leest u onder de knop Fragment (aan de rechter kant in beeld)
Alleen
Filmpje
KRO De Wandeling, Sam Gerrits in gesprek met Hella van de Wijst
“Als je écht wilt ervaren hoe het in een isoleercel is, dan moet je het zélf ervaren”, zegt Sam. Hella van der Wijst gaat deze uitdaging aan en brengt één nacht in de isoleercel door.
Sam Gerrits heeft tussen 2000 en 2002 meerdere psychoses gehad. Veel mensen denken dat een psychose iets heel naars en angstigs is, maar Sam ervoer het juist als iets heel bijzonders. “De psychose voelde voor mij heel spannend en euforisch. Ik voelde mij uitverkoren. Het was voor mij een heel intense ervaring. “In één van deze psychoses speelde de kleur ‘oranje’ een leidende rol. “Ik moest allerlei oranje dingen aanraken en ‘oranje dingen’ doen. Zo heb ik met een baksteen een ruit ingegooid, omdat die onder een oranje luifel was en in de Albert Heijn heb ik het gangpad bezaaid met oranje chips, oranje bierflesjes en sinaasappels.”
Sam heeft ook zijn vriendin bedreigd. Zij wist zich op te sluiten in de badkamer en belde de politie. Sam belandde in de isoleercel, waar hij 52 dagen aaneengesloten heeft doorgebracht.
Met Sam gaat het inmiddels goed. Toch heeft het nog enkele jaren geduurd voor hij weer volledig door zijn buren werd geaccepteerd. “Mensen kunnen helaas moeilijk een onderscheid maken tussen de Sam nu en de Sam die ooit psychotisch is geweest. Maar de meeste mensen functioneren na een psychose weer normaal. Ik hoop dat mensen zich realiseren dat ééns gek, niet altijd gek betekent.”
Bekijk hier de aangrijpende uitzending van KRO De Wandeling.
Alleen
Fragment
Sam Gerrits, VOORBIJ DE LAATSTE DEUR
Bezoek
Ze zit tegenover me met haar armen vol bloemen. Er staan tranen in haar ogen. Ze is een klein Indisch vrouwtje, met een lichte huid waarop vaag sproetjes te zien zijn. Of zijn het ouderdomsvlekken? Ze is mijn moeder. Ze verft niet, er lopen grijze linten door haar kortgeknipte haar. Ze zit tegenover me, op de bank. Ik zit schrijlings op een stoel, de rugleuning naar voren, en kijk haar aan. Ik wil wel langer kijken maar moet eerst even een rondje lopen. Sinds ik hier opgesloten zit moet ik de hele tijd rondjes lopen. Ik mompel ‘Ben zo terug mam’ en loop weg, de gang in. Als ik terugkom zit ze daar nog steeds, met haar armen vol bloemen.
‘Hoe gaat het met je jongen?’
‘Heel goed, druk, veel lopen, loopdrang mama.’
‘Voel je je wel goed jongen?’
‘Ik voel me fantastisch mama.’
‘Waar kan ik deze bloemen neerzetten?’
‘Wacht, ik roep even iemand van de verpleging oké?’ Ik loop weer weg en kom terug met een dikke man in vrijetijdskleding, met een pluizige paardenstaart.
‘Geef ze maar aan die meneer mama.’
De dikke man pakt de bloemen aan met een rokende sigaret in zijn hand. Als hij weg is om een vaas te zoeken vraagt mijn moeder: ‘Moet hij geen uniform aan?’
‘Nee dat was vroeger mama.’
‘Nou, het zou hem goed staan hoor. En hij zou ook minder moeten roken. En hij moet diëten!’
‘Hihi. Ja mama.’
Ik glimlach naar mijn moeder, door mijn stijve gezicht heen, en probeer het overmatige speeksel binnen te houden voordat het weer langs mijn kin gaat druipen. Ik heb op tv wel eens een meisje gezien met gelaatsspieren die niet goed werkten. Alles hing slap: wenkbrauwen, oogleden, lippen. Het was alsof ze een masker op had, in plaats van een gezicht. Nou, zo zie ik er nu ook uit. Ik heb mijn gezicht daarnet nog in de spiegel zitten bekijken. Ik vermoed dat het door de pillen komt, maar maak me een beetje zorgen -- dat het permanent is. Mijn moeder kijkt me aan. Haar half slapende, kwijlende zoon met zijn gezwollen gezicht. Die in pyjama voor haar zit op klaarlichte dag, opgenomen in een gesticht. Ze is stil. Ze veegt tranen uit haar ooghoeken.
‘De begrafenis van je oom was erg mooi Sam.’
‘Ja, sorry dat ik er niet bij kon zijn.’
‘Ach lieverd, daar kun jij toch niets aan doen?’
‘Ja maar oom Leen was mijn favoriete oom mama. Hij had er ook niet zo snel tussenuit moeten piepen. Wacht, ik moet weer even een rondje lopen mam.’
Ik stiefel weg de gang in, langs Istjoe, een oude Surinamer die daar dag en nacht glimlachend op een bankje zit. Het liefst op één bepaald bankje, waarvan het schuimrubber door de bekleding komt. Hij zit daar altijd, verzaligd te kijken naar de tl-balken in het systeemplafond. Gaat met zijn ruwe handen door zijn grijzende kroeshaar en wiegt rustig heen en weer, op de maat van een liedje dat hij alleen hoort. Istjoe zit al jaren op dat bankje. Hij is te goed voor de langdurige-zorgafdeling. Om de zoveel tijd wordt hij losgelaten. En na een tijdje wordt hij weer gevonden, naakt door de trein lopend, defecerend in de trouwzaal van het stadhuis, plassend op de bloemen bij het Anne Frank-beeldje. Istjoe is niet gevaarlijk. Hij is alleen permanent van de wereld, en confronterend. Ik glimlach naar hem.
‘Fa a waka, brada?’ (Alles goed, vriend?)
‘A e go boeng, mi rustig, no?’ (Goed, ik ben relaxed.) Istjoe glimlacht naar zijn plafond.
‘A frow dati na mi mma, i sabie toch?’ (Die vrouw daar is mijn moeder, wist je dat?)
‘Sa n’en! A ptsjieng drape?’ (Wat! Dat kleintje daar?)
‘Ay! Yu no ben sabi dati ete? Mi abi wan bigi ede, ma mi mma pikin.’ (Ja, wist je dat niet? Ik heb een groot hoofd, maar mijn moeder is klein.)
We lachen en ik loop verder. De gang is kort: voordat ik mijn drang eraf gelopen heb, kom ik Istjoe zeker drie keer voorbij. Langs de kamer van de verpleging kom ik ook drie keer. Er piept iets daarbinnen. De dikke verpleger speelt patience op de computer en wiebelt op de achterpoten van zijn stoel. Er komen wolken sigarettenrook door de halfopen deur. Hij is mama’s bloemen zeker vergeten.
Uiteindelijk beland ik weer bij mijn moeder, als een jonge meeuw met vleugelkriebel die toch weer tegen de keelkrop komt tikken. Mijn moeder heeft inmiddels de papieren tissues uit het cellofaan gehaald en dept haar ogen. Ze sluit haar zwartleren moedertasje en legt het weer naast zich op de bank. Het zachte glanzende leer doet me denken aan haar zachte glanzende huid.
Ik buig me voorover, over mijn rugleuning, om haar te kietelen. Ze giechelt ondanks zichzelf. Ik pak haar tasje van de bank en open het. Ik vind lippenstift, volgesnoten zakdoekjes en verse zakdoekjes in brandbaar cellofaan, en een rol pepermunt. Ik pak de rol en breek hem doormidden. De ene helft geef ik aan mijn moeder en de rest van de pepermuntjes eet ik met smaak op. Mijn moeder schudt haar hoofd lachend en zegt: ‘Ach jong toch, niet allemaal tegelijk!’ Ik ben grappig. Ik pak de cellofaanpakjes uit mama’s tas en gooi ze in een grote plastic asbak op tafel. Het laatste pakje steek ik aan, met iemands aansteker die op tafel ligt. Ik doe het zo snel dat mijn moeder alleen maar kan toekijken. ‘Zo, nu kun je niet meer huilen mama. Je moet niet huilen. Alles is goed. Ik ben de draak, dat is alles mama.’
Irini, een handenbijtend zenuwenvrouwtje dat spastisch in een gemotoriseerd rolstoelkarretje rondrijdt sinds haar laatste zelfmoordpoging -- onthouden: niet aan mama vertellen -- staart zeker een minuut lang gebiologeerd naar het vuur, en begint dan keihard te gillen. Ik snap dat niet. Ze wil toch dood? En zie ginds komt de dikke man uit de verplegersruimte weer aan, sigaret in de hand. Hij schat de situatie in: een gillende Irini en een vlammende asbak op tafel. Hij loopt linea recta naar de brandhaard. Dat kan ik niet toestaan, helaas. Ik ben bezig de tranen van mijn moeder te drogen hier. Dus ik geef mijn moeder haar tasje terug, sta op en ga voor de tafel staan. Mijn moeder roept gesmoord iets van: ‘Niet doen!’ Maar het is al te laat.
Ik verzet me met al mijn kracht tegen zijn massa. Onder het worstelen drukt hij op de rode knop op zijn pieper. Ik hoor het bekende geluidje. Nemesis zou niet zo lullig moeten klinken. Twee grimmig kijkende verplegers, een mollig meisje met een ovalen brilletje en een grijze man met een kort baardje, komen aangerend. Ik vecht door met de dikkerd tot ze erbij zijn komen staan en me vastgepakt hebben. Daarna laat ik me gewillig tegen de grond werken. Liggend op mijn buik, terwijl drie paar armen me stevig vasthouden, tussen de koffievlekken en de brandgaten in de vloerbedekking, kijk ik op naar mijn moeder. Ze zit zwaar ademend op de bank, met haar handen voor haar mond.
‘Mama, het is goed. Niet schrikken,’ zeg ik lief. Irini stopt met krijsen en gaat verwoed op de rug van haar hand kluiven. Het vuur in de asbak begint te doven. Gelukt. Ik wil een tekst uit de bijbel citeren voor mijn moeder, over Jezus die alle tranen zal uitwissen met vuur, maar ik weet hem niet meer. Stomme pillen. Ik word hardhandig overeind getrokken en vraag of ik mijn moeder nog een afscheidskus mag geven. Dat mag. Twee verplegers houden mijn armen stevig op mijn rug gedraaid, terwijl ik me voorover buig naar mijn lieve moedertje om haar op het voorhoofd te kussen. Mama haalt haar neus op, ze pakt me bij mijn kin en kijkt me diep in mijn ogen. Ze kust me op mijn beide wangen.
‘Groetjes aan papa!’ roep ik nog, terwijl ik word weggeleid. Zo, dat werd tijd. Ik moest echt even lopen. De stalen deur slaat achter me dicht -- bekend geluid, inmiddels -- en ik laat me op de dikke plastic matras zakken. Er is een land, bij u om de hoek, achter deuren van staal, de muren zijn er wit, de vloer is van gietbeton en de inrichting is wat kaal... Gelukkig mag ik deze keer mijn kleren aanhouden.
Fragment uit Alleen. Berichten uit de isoleercel, pagina: 19-22.