Fragment uit Aan de bal van Lieneke Dijkzeul

‘Looppas!’ Meneer Baouri keek de rij jongens langs. ‘Tien keer rond het veld. Om te beginnen.’
‘Meneer Baouri,’ protesteerde Tigani. ‘We hebben al gerend. De hele weg hiernaartoe.’
‘Rahmane?’ Meneer Baouri kende Tigani langer dan vandaag.
Rahmane bewoog voorzichtig zijn hoofd. Hij knikte niet ja, maar schudde ook niet nee. Ze hádden gerend, maar niet de hele weg.
‘Looppas,’ herhaalde meneer Baouri grijnzend.

Ze renden in de volgorde waarin ze altijd renden. Tigani, de snelste, voorop, Rahmane achter hem, daarachter Kwame, die ondanks alles een goede loper was, dan Henri, Nkosi, Sabeh, Haran, Abdul en Washington, en daarachter de jongens die altijd achteraan liepen, omdat ze vonden dat ze kwamen om te voetballen en niet om te trainen.
Na vijf rondjes hadden Tigani, Rahmane, Kwame en Henri zoals gewoonlijk de rest al meer dan een veldlengte achter zich gelaten.
‘Waarom kun je nooit eens liegen?’ hijgde Tigani achterom. ‘Je weet toch dat hij jou altijd gelooft.’
‘Juist daarom,’ zei Rahmane. ‘Loop door, we kunnen de anderen inhalen.’
Hij voelde zich goed. Zijn dijspieren bleven soepel en hij haalde gelijkmatig adem. Hij liep gemakkelijk, vandaag.
‘Sneller!’ schreeuwde meneer Baouri. ‘Ouwe wijven zijn jullie. Je grootmoeder kan jullie inhalen, je grootvader loopt je voorbij. Vooruit, óp die benen, tegen je achterwerk, sneller, sneller!’
‘Ik hoop dat zijn eigen grootmoeder...’ begon Tigani. Hij drukte zijn hand in zijn zij.
‘Hou je mond toch,’ zei Rahmane. ‘Laat mij voorop lopen.’
Hij verlengde zijn pas en schoof langs Tigani. Zijn hielen tikten ritmisch tegen zijn billen. Kwame ging mee, Henri bleef achter.

Vier rondjes lang was er alleen het geluid van blote voeten die met doffe plofjes neerkwamen op harde aarde. Rahmane keek naar meneer Baouri, die met zijn armen over elkaar geslagen aan de rand van het veld stond.
Alles was net als alle andere zondagmiddagen, behalve dan dat meneer Baouri er zo merkwaardig uitzag. Hij had een overhemd aan, een wit overhemd met lange mouwen. En hij droeg een das. Een groen met geel gestreepte das die hij tussen de elastieken tailleband van zijn donkerblauwe trainingsbroek had gestopt. Naast hem lag de bal. Geen echte voetbal, maar een lichte plastic bal, waarmee je volgens meneer Baouri stukken beter op balbeheersing kon oefenen. Rahmane wist dat hij daar deels gelijk in had, maar hij wist ook dat meneer Baouri geen geld had voor de aanschaf van een echte voetbal. Naast de bal stond een opbollende plastic draagtas.
Rahmane bleef naar de tas kijken terwijl ze hun laatste rondje liepen. Meneer Baouri had nooit een tas bij zich. De bal nam hij altijd mee onder de snelbinders van zijn fiets.
Een tas. Een overhemd. Een das. Wat was er aan de hand?
‘Verzamelen!’ riep meneer Baouri.
De jongens ploften aan zijn voeten neer.
‘Op,’ zei hij rustig. ‘Spreidsprongen.’
Tigani mompelde iets.
Meneer Baouri bukte zich, greep hem in de band van zijn bermuda en tilde hem op. Hij was te dik, meneer Baouri, hij trainde niet mee en floot vanaf de zijlijn, maar hij tilde Tigani met één hand op en zette hem op zijn voeten.
‘Een voetballer doet wat de coach zegt. Onthou dat. Spreidsprongen. Zestig voor Tigani, veertig voor de rest.’
‘Vliegen!’ riep Kwame. Dit vond hij nog leuker dan voetballen. ‘We gaan vliegen!’
Ze deden hun spreidsprongen. Meneer Baouri telde hardop. Rahmane voelde het zweet vanaf zijn rug langs de achterkant van zijn benen lopen. Het was erg heet vandaag, heter nog dan gisteren in het veld.
Ze hijgden uit terwijl Tigani aan zijn extra spreidsprongen bezig was.
‘Rekken,’ zei meneer Baouri.
Ze gingen wijdbeens op de grond zitten, strekten hun armen en bogen hun hoofd beurtelings naar hun linker- en hun rechterknie, Kwame met zijn ogen dicht. Hij had een zweer op zijn knie, waarvan hij hoopte dat die zou genezen als hij er niet naar keek.
‘Strekken,’ zei meneer Baouri.
‘Nog eens vliegen?’ vroeg Kwame gretig. Spreiden en strekken waren woorden die hij niet uit elkaar kon houden.
Ze krabbelden overeind en strekten. Kwame gooide er met de pet naar; met strekken kon je geen spelletjes bedenken.
‘Genoeg voor vandaag.’ Meneer Baouri haalde een keurig gestreken zakdoek uit zijn broekzak en depte zijn voorhoofd.
‘Tigani, Joel, Washington, Rahmane, Kwame en Nkosi tegen de rest.’
Hij stopte de zakdoek weg, hing zijn fluitje om zijn hals, liep naar de middenstip en gooide de bal op. Aan tossen deed hij niet. De bal kwam neer en wie hem voor de voeten kreeg, mocht hem spelen. Aan keepers deed hij ook niet. Hij trainde hen wel zo nu en dan op schieten en stoppen, maar vond de ploegen te klein om er nog een keeper af te halen, en hij was van mening dat hij uitstekend kon beoordelen of een bal zat of niet.
Er waren trouwens geen doelen, niet in de zin van palen, lat en net, net zomin als er een middenstip was. Doelen en middenstip waren alleen herkenbaar aan half ingegraven stenen waaraan je gevoelig je tenen kon stoten als je niet oplette.
Zoals altijd sprong Tigani het hoogst op. Hij kopte de bal naar Rahmane, die er meteen mee vandoor ging, hopend op een verrassingsaanval. Henri doorzag hem en tackelde. Rahmane struikelde en hervond zijn evenwicht, maar de bal was hij kwijt.
Henri, niet snel maar wel behendig, nam de bal een halve veldlengte mee en passte naar Nanto, die hem met een lange, lage trap tussen de doelstenen door schoot. Het fluitje snerpte.
Rahmane schudde zijn hoofd. Wat stond Washington daar nou te lummelen? Hij had die bal kunnen hebben.
‘Verdedigen!’ gilde hij.
Washington maakte een gebaar met zijn elleboog. Hij stond dan wel als verdediger opgesteld, maar wie wilde er verdedigen als je kon aanvallen?

Het spel golfde heen en weer, tot Kwame werd aangespeeld. Hij passte zuiver naar Nkosi en bleef de bal vol bewondering nastaren.
‘Lopen, Kwame!’ schreeuwde meneer Baouri. ‘Positie kiezen!’
Kwame raakte in de war. Waarom vertelde meneer Baouri hem niet gewoon waar hij heen moest? Hij draaide zich om en sprintte in het wilde weg in de richting van een doel.
Henri zag het. Hij maakte een sliding op Nkosi die op de droge grond volkomen mislukte, maar zag toch kans de bal mee te nemen. Hij begon aan een dribbel.
‘Kwame!’
Kwame remde. Henri passte. Kwame zag de bal op zich afkomen en begreep wat er van hem verlangd werd. Hij nam de bal aan, controleerde hem en schoot met grote precisie in eigen doel.
Het fluitje snerpte.
Kwame straalde. Op een sukkeldrafje ging hij de bal halen.
Zijn ploeggenoten protesteerden.
‘Dat is een rotstreek, Henri! Meneer Baouri, u weet toch dat Kwame de doelen niet uit elkaar kan houden!’
‘Doelpunt,’ zei meneer Baouri kalm.
Nkosi schopte Henri tegen zijn schenen. ‘Hond! Ik hoop dat je…’
Meneer Baouri strekte zijn arm. ‘Straftijd.’
Nkosi deed zijn mond open, maar de arm wees onverbiddelijk naar het krukje onder de biloba.