Fragment uit Acht dagen met Engel van Tanneke Wigersma

Silke loopt naar het park. Het park is groot. Er is een wei met een vijver. Er is een speelwei met een schommel en er is een kleine wei waar bijna nooit iemand komt. Daar ploft ze neer op de bank. Over het pad komt een man aangelopen. Hij roept iets naar haar wat ze niet kan verstaan. Ze haalt haar schouders op. De man komt hijgend voor haar staan. ‘Die hond die hier voorbij kwam rennen,’ zegt hij ongeduldig.
Ze kijkt naar zijn zweterige gezicht en zijn rode wangen. ‘Hond?’ vraagt ze.
‘Ja, een harig beest, natte neus. Zo hoog.’ De man houdt zijn hand boven zijn knie. ‘Snap je? Heb je gezien waar die heen ging?’ Ze kijkt naar hem. De wei lijkt een stuk kleiner met die man erin. Maar een hond heeft ze niet gezien. ‘Ik zou ’t niet weten,’ zegt ze.
De man zucht en draait zich om. ‘Wodan!’ schreeuwt hij. De man verdwijnt tussen de struiken. ‘Wodan!’
‘Wie noemt zijn hond dan ook Wodan?’
Silke kijkt om. Naast haar op de bank zit een meisje. Ze heeft donkere krullen en heel blauwe ogen. Ze lacht. ‘Ik zou geen Wodan willen heten. Hij was nou niet bepaald een aardige god.’
Het zal wel, denkt Silke. Ze pakt een plastic zakje uit haar tas. Er zit een overgebleven boterham met hagelslag in.
‘Hoe zou jij je hond noemen?’ vraagt het meisje.
‘Ik hoef geen hond,’ zegt Silke. Ze neemt een hap.
‘Maar als je er een had, hoe zou je hem dan noemen?’
‘Wat maakt mij dat uit,’ zegt Silke.
‘Je denkt niet eens na,’ zegt het meisje. Ze kijkt Silke doordringend aan. Het meisje heeft ogen zo blauw als de lucht op een warme zomerdag. Eindeloos blauw zonder spatje of vlekje. Silke heeft nog nooit zo’n kleur ogen gezien. Haar vader heeft ook blauwe ogen, maar die zijn grijsblauw. IJsblauw. Koud. Ze kijkt snel weg.
‘Wodan!’ De hijgende man komt uit de struiken, zonder hond.
‘Hij rende het park uit,’ zegt het meisje. Ze wijst naar het pad.
‘Bedankt,’ zegt de man en begint het pad af te rennen.
Ook weer opgehoepeld, denkt Silke. Nou dat krullenkind nog. Vanuit haar ooghoeken kijkt ze naar haar. Het meisje schuift met haar ene schoen een hoop zand bij elkaar, die ze met haar andere voet weer stuk maakt. Het gaat aan één stuk door.
Silke pakt het mobieltje. Ze heeft het van haar vader gekregen. Er zit een leuk spelletje op met tien levels. Ze komt al tot level drie. Als ze het aanzet, klinkt er een liedje. Dan komt er een ruimteschip aanvliegen. Vanuit het schip moet je jacht maken op buitenaardse wezens. Die kan je met een laserstraal vernietigen. Het meisje pakt een zakje uit haar broekzak. Met een hoop gekraak scheurt ze het open. Silke schiet een paar ruimtewezens neer. Van level één gaat ze naar level twee.
‘Wil je ook?’ Het meisje houdt het zakje voor Silkes neus. Silke schudt haar hoofd en speelt verder.
‘Neem maar. Het is lekker.’
Het zakje ritselt. Ze legt het mobieltje neer en pakt het zakje aan.
‘Mooi,’ zegt het meisje en wijst naar het mobieltje.
‘Gekregen.’
‘Voor je verjaardag?’
‘Nee.’ Silke bekijkt het zakje. Het is blauw, met witte vleugels erop.
‘Wat zijn dit?’ vraagt ze.
‘Vleugelsnoepjes.’
Nooit van gehoord, denkt ze. Ze pakt er een uit en steekt het in haar mond. Het smaakt zoet en luchtig. Zoiets lekkers heeft ze nog nooit geproefd.
‘Lekker hè?’ zegt het meisje. Ze zuigt haar lippen naar binnen.
‘Gaat wel,’ zegt Silke. Haar mobieltje geeft een pieptoon. Ze heeft te lang gewacht en nu is ze haar zeven levens kwijt.
‘Ik zou mijn hond Pizza noemen,’ zegt het meisje.
‘O.’
‘Vind je dat niet leuk?’
‘Dan denkt iedereen dat je honger hebt als je hem roept,’ mompelt Silke. ‘Of dat je gek bent.’
Het meisje haalt haar schouders op. ‘Wat is gek?’
Silke begint opnieuw te spelen.
‘Ik vind niet snel iets gek,’ zegt het meisje.
Omdat je zelf gek bent, denkt Silke. Ze let niet op en verliest twee levens achter elkaar. Stom spel. Ze zet het uit en stopt het mobieltje in haar tas. Het meisje houdt het zakje met vleugelsnoepjes omhoog, maar Silke staat op en loopt het grasveld op. Ze bukt zich om klaver te plukken. Het blad stopt ze in het lege boterhamzakje. Het meisje komt naast haar staan. ‘Waarom doe je dat?’
Ik wil wat te eten hebben onderweg, denkt Silke. Nou goed? Maar dat zegt ze niet. ‘Ik heb een konijn.’
‘Leuk.’
Silke plukt door. Haar konijn is dol op klaver. Wortels vindt hij lekker, en gras, maar klaver heeft hij het liefst.
‘Hoe heet-ie?’
‘Ko.’
‘En van achteren?’
‘Van achteren heeft hij een staart,’ zegt Silke. Ze gaat rechtop staan. Het meisje ook. Silke doet alsof ze het niet ziet. Ze doet haar tas dicht en loopt het veld af, het pad op.
‘Wacht,’ roept het meisje.
Silke blijft staan.
‘Ik woon net in deze stad en ik weet niet hoe ik thuis moet komen.’
‘Waar moet je naartoe?’
‘De Lengestraat.’
Dat is vlak bij mij, denkt Silke. ‘Loop maar achter me aan.’
Het meisje veert op. Ze glimlacht en gaat naast Silke lopen.
‘Ik heet Engel,’ zegt ze.
‘Ik niet,’ zegt Silke.
Engel giechelt. Ze lopen door het park, over het pad door de grote wei. Engel loopt met haar armen te zwaaien. ‘Hoe heet jij?’ vraagt ze.
‘Silke,’ zegt Silke.
‘Mooie naam.’
‘Ik heb hem niet uitgekozen. Jij hebt een rare naam. Wie heet er nu Engel?’
‘Ik,’ zegt Engel. ‘Ik heet Engel.’
‘Dat is toch geen naam. Deze kant op.’ Ze lopen het pad af, het park uit. Voor het park ligt een drukke weg. Er rijden auto’s en brommers. Ze kijken naar links en naar rechts. Als er een gat valt in de verkeersstroom steken ze over.
‘Ze moeten hier een zebrapad aanleggen. We hebben wel iets beters te doen dan mensen helpen met oversteken,’ mompelt Engel boos.
Ze praat nog tegen zichzelf ook, denkt Silke. Stom kind. Ze stapt stevig door. Engel is kleiner. Ze moet grote stappen doen om Silke bij te houden. ‘Ik ben hier gisteren komen wonen,’ zegt ze. ‘Waar woon jij?’
‘In de Weitstraat.’
‘Vind je het hier leuk?’
‘Best wel,’ zegt Silke.
‘Zusjes en broertjes?’
‘Eén zusje.’
‘Heb je veel vriendinnen?’
Hallo, kruisverhoor, denkt Silke. ‘We gaan hier naar links,’ zegt ze. Ze botsen tegen elkaar omdat Engel rechts wil gaan en Silke naar links gaat. Silke schrikt als Engel opeens zo dichtbij komt. Ze springt naar achteren.
‘Sorry,’ zegt Engel.
‘Geeft niks,’ mompelt Silke.
Ze lopen door de straat. De huizen zijn hoog en hebben grote ramen. Elk huis heeft een stenen trap voor de deur. Elke deur heeft een andere kleur.
‘Mooie huizen,’ zegt Engel. ‘En zo groot ook.’
Silke blijft staan. ‘Hier woon ik. Jij moet de straat uitlopen, hoek om en daar is de Lengestraat.’
‘Dank je wel,’ zegt Engel.
Silke loopt naar de voordeur. Ze trekt aan het touwtje dat uit de brievenbus hangt. Als ze zich omdraait om de deur dicht te trekken, ziet ze dat Engel er nog staat. Ze zwaait. ‘Tot morgen,’ roept ze.
Tot morgen? denkt Silke. Ze trekt de deur met een klap achter zich dicht. Hoezo tot morgen?
In de gang staat haar vader. Hij bladert in het telefoonboek.
‘Hoi.’
‘Dag Silke,’ zegt hij zonder op te kijken. Hij slaat de bladzijden vlug om. Alsof hij iets niet kan vinden. Dan klapt hij het boek dicht. Ze loopt langs hem heen. Vader buigt zich om haar een kus te geven, maar ze schiet snel de trap op. Vader grinnikt. ‘Kom eens terug.’
Ze loopt terug. Vader spreidt zijn armen wijd uit. ‘Wat doet de prinses?’
Ze buigt en geeft hem een zoen op zijn neus.
‘De koning bedankt,’ zegt hij en maakt ook een buiging.
‘Kom je theedrinken?’ roept moeder vanuit de keuken.
‘Nog één zoen.’ Weer spreidt hij zijn armen wijd uit. Ze zoent hem nog een keer. Op zijn wang.
‘De prinses zoent zacht,’ fluistert hij, ‘zachter dan de koningin.’
Silke giechelt. Vader wappert met zijn hand. Ga maar naar je moeder, betekent dat. Hij loopt de praktijk binnen.
‘Sophine en ik willen weten hoe het op school was,’ roept moeder.
‘Kom zo,’ roept Silke terug. Ze loopt de trap op naar de overloop. Er zijn vier deuren. Eentje gaat naar de kamer van Sophine. Eén gaat naar de kamer van Silke. Eén is de deur van de slaapkamer van vader en moeder en de laatste deur is die van de badkamer. Ze opent de deur van haar kamer. Onder het raam staat een grote houten bak met een deurtje met gaas erin. Een wit konijn gaat tegen het gaas op staan.
‘Hoi Ko.’
Ze doet de deur dicht.