Fragment uit De bastaard van Brussel van Simone van der Vlugt


Hij ligt op het keiharde bed en kan niet slapen: zijn lichaam is verkrampt van de kou.
Zijn celgenoot ligt zachtjes te zingen, iets religieus, en het geruststellende geluid van een stem vlak bij hem voorkomt dat Crispijn verpletterd wordt door duisternis, stilte en paniek. Hij ligt op zijn zij, staart naar de kille, afwerende muur naast hem en laat zich meevoeren door het zachte gezang. Het zou troostend kunnen werken als de angst in de stem van de man niet zo duidelijk hoorbaar was.
Hoeveel ketters, of vermeende ketters, liggen hier in de duisternis bijeen, van elkaar gescheiden door vochtige muren? Niets verstoort de stilte van de nacht, op druk geritsel en getrippel na waar Crispijn liever niet te lang bij stilstaat.
Vlak voor hij besloot te gaan slapen, was zijn celgenoot naar hem toe geschuifeld en had hem een stuk brood gegeven.
`Eet het niet op, ’ had hij gezegd. `Bewaar minstens de helft en leg het naast je, op je brits.’
`Waarom?’
`Dat zul je wel merken.’
Op de tast zoekt Crispijn het stuk brood en eet het op – alles. Als die vent denkt dat hij zich zo gemakkelijk laat bestelen, is hij niet goed wijs. Hij gaat op zijn rug op zijn bed liggen en staart naar de hanenbalken boven zijn hoofd. Hij denkt aan Eva en die gedachte vrolijkt hem niet op. Is ze ontkomen of zit ze hier ook ergens in het Broodhuis? Een kind van elf… Het zou niet voor het eerst zijn. En Hans? Wat is er met Hans gebeurd?
Hij sluit zijn ogen en dwingt zijn gedachten een andere kant op – maar zoveel kanten zijn er niet.
De nacht komt met een verstikkende duisternis, gepiep, geknaag en rennende pootjes. Van slapen is geen sprake; urenlang is hij bezig in het wilde weg te slaan naar levende wezens die op zijn brits springen. Hij voelt ze langs zijn buik schuifelen als hij op zijn zij ligt, voelt hun lange gladde staarten tegen zijn arm, zijn been, zijn gezicht. Hij slaat en schopt ze van zich af, maar pas tegen de ochtend trekken zijn belagers zich terug in de spleten en gaten waaruit ze vandaan zijn gekropen, en ligt Crispijn uitgeput met zijn gezicht naar de muur.
Het daglicht dringt naar binnen en valt onbarmhartig op hem neer. Hij heeft zijn ogen gesloten, maar opent ze als hij merkt dat er iemand over hem heen gebogen staat.
`Bewaar vanavond een stuk brood. Zoveel je missen kunt,’ zegt zijn celgenoot. `Dan laten ze je wel met rust.’
Voetstappen in de gang doen hen opkijken. Een cipier rammelt met zijn sleutelbos en houdt halt voor hun deur.
`Wat gebeurt er?’ fluistert Crispijn.
`Er zijn twee mogelijkheden,’ zegt zijn celgenoot langzaam. `Ze komen voor jou of ze komen voor mij.’