| Fragment uit Ben
zo terug van Sarah Weeks
Je kon aan mama niet echt zien dat er iets mis
was met haar hersenen, maar zodra ze iets zei, was het duidelijk. Ze had
een heel hoge stem, als een klein meisje, en ze kende maar drieëntwintig
woorden. Dat weet ik zo precies omdat we aan de binnenkant van de keukenkast
een lijstje hadden gehangen waarop we de woorden schreven die mama gebruikte.
De meeste waren gewone woorden zoals goed, meer en warm,
maar er was één woord dat alleen mijn moeder zei: zof.
`Wat denk je dat ze bedoelt als ze dat zegt?' vroeg ik vaak aan Bernadette.
`Dat weet alleen je mama,' zei ze elke keer dat ik het vroeg.
Dat woord zof bleef als een klit in mijn hoofd hangen en zat
me zo dwars dat ik het niet kon vergeten. Ik merkte dat ik er steeds vaker
over nadacht.
`Er moet een manier zijn om erachter te komen wat het betekent,' zei ik
tegen Bernie.
`Dat hoeft niet, Heidi.'
`Nou ja, het moet iets betekenen. Anders zou mama het niet zeggen.
Zij weet wat het betekent.'
`Misschien, maar dat wil niet zeggen dat jij het ooit zult weten. Geloof
me, Heidi, er zijn dingen in het leven die een mens gewoon niet te weten
kan komen.'
Maar ik geloofde haar niet en er moest nog veel gebeuren voordat ik haar
wel geloofde.
Bernadette praatte net zo tegen mijn moeder als tegen haar katten. Het
klonk bijna als zingen.
`Bloemetje! Waar is mijn lieve Bloemetje?' riep ze iedere morgen als ze
door de verbindingsdeur kwam om mij te helpen mama uit bed te halen en
aan te kleden.
Het viel niet mee om mama 's ochtends op gang te krijgen, voordat ze leerde
zelf haar tanden te poetsen en haar haren te borstelen. Later werd het
makkelijker, maar het bleef lastig te voorspellen wanneer mama een krakeling
zou bakken of de protestvlag zou hijsen, zoals Bernadette het ook wel
noemde. Ik geloof dat we het allebei een prettig idee vonden dat de ander
erbij was, voor het geval dat.
Bloemetje, of meestal gewoon Bloem, was Bernadettes naam voor mama.
`God geve dat het niet waar is, maar als ze echt So De Ju heet, hoop ik
vurig dat ik nooit de vrouw ontmoet die zo'n lieverd als jouw mama ter
wereld heeft gebracht en haar zo'n rotnaam heeft gegeven. Het is gewoon
gemeen,' zei Bernie.
`Waarom?' vroeg ik.
`Sodeju roep je als je verbaasd of teleurgesteld bent. Zo noem je je kind
toch niet! Ik vind dat elk pasgeboren kind de mooiste en sterkste naam
verdient die je kunt bedenken. Zeker als het kind het al moeilijk genoeg
zal krijgen. Ik zou haar een naam vol belofte hebben gegeven, zoals Irene
of Aurora.'
`Is Heidi een naam vol belofte?' vroeg ik.
Ze glimlachte naar me en raakte mijn wang aan.
`Boordevol belofte,' zei ze. `Ik neem aan dat het je moeders moeder is
geweest die op het treurige idee is gekomen om je mama zo te noemen. Geloof
me, als ik je oma ooit ontmoet, krijgt ze de wind van voren!'
Ik weet dat het vreemd is, maar tot Bernadette het zo over mijn oma had,
had ik me nooit afgevraagd of ik een oma hád. Bernie had altijd
gezegd dat het leek of mama en ik uit de lucht waren komen vallen, en
tot dat moment had ik blijkbaar gedacht dat dat zo was.
`Heeft mama een moeder?' vroeg ik.
`Iedereen heeft een moeder,' antwoordde ze.
`Waar is ze dan?'
`Dat is een heel andere vraag,' zei ze.
`En wat is het antwoord?' vroeg ik.
Bernadette lachte.
`Ik zal niet zeggen dat dat er niet is, want ik ken je nu goed genoeg
om te weten dat je daar helemaal van over de rooie gaat, Heidi-Ho.'
`Mensen kunnen toch niet zomaar van de aardbodem verdwijnen zonder dat
iemand het merkt?' zei ik.
`Meestal niet, nee,' zei Bernadette zacht.
Bernadette was dol op lijstjes maken en zodra ze me had leren lezen en
schrijven, nam ik die gewoonte van haar over. Op haar lijstjes stonden
vooral boodschappen en dingen die gedaan moesten worden. Dat gold ook
voor sommige van mijn lijstjes – ze waren een manier om dingen bij
te houden, zoals mama's woordenlijst op de deur van de keukenkast. Maar
ik maakte ook andere lijstjes. Een van de eerste die ik me herinner, heette
`Wat ik weet over mama'. Er stond niet veel op.
Wat ik weet over mama
Naam: So D. Ju
Het is duidelijk dat ik toen nog geen geweldige lijstjesmaker was, want
ik wist natuurlijk veel meer over mijn moeder dan alleen haar naam. Ik
had kunnen opschrijven dat ze precies één meter vijftig
was op blote voeten en dat ze dezelfde lichtblauwe ogen had als ik; ze
stonden alleen iets verder uit elkaar. Ik had kunnen zeggen dat ze mooi
was en volmaakt steil haar had, niet krullerig zoals dat van mij, met
een scheiding in het midden, zodat het als twee gordijnen langs haar gezicht
hing. En ik wist nog meer. Ze had een hekel aan sokken, op regenachtige
dagen werd ze onrustig, en ze deed bijna alles wat je haar vroeg voor
een Jujyfruit – als het maar geen groene was. Dat had ik allemaal
kunnen opschrijven, en nog veel meer, maar zoals ik al zei, ik was toen
nog niet zo'n goede lijstjesmaker. Ik schreef mijn lijstjes in een rood
opschrijfboekje met een spiraalband en soms wou ik dat ik het nog had
om me eraan te herinneren wie ik vroeger was.
Nadat Bernadette erover begonnen was dat mijn oma mama zo'n vreselijke
naam had gegeven, begon ik na te denken over dingen waarover ik nog niet
eerder had nagedacht.
`Wie ben ik?' vroeg ik Bernadette bijvoorbeeld op een dag in de keuken.
`Jij bent mijn lieve kindje, mijn allerliefste kindje,' zong ze als antwoord.
`Nee echt, Bernie. Wie ben ik?' vroeg ik nog een keer.
`Jij bent Heidi. Heidi Ju.'
`Is dat alles?' zei ik.
`Het is meer dan genoeg, lijkt me. Wat wil je nog meer zijn dan wie je
nu bent?'
`Iedereen zou toch zijn eigen verleden moeten kennen?' zei ik.
`Wat wil je weten?' vroeg Bernie.
`Zoveel.'
`Wat bijvoorbeeld?'
`Waar ik geboren ben en wie me Heidi heeft genoemd,' zei ik.
`Misschien ben je naar het boek genoemd, of naar de film. Daarin speelde
Shirley Temple. Ik was dol op haar films.'
`Maar wie heeft de film gezien? Mama? Mijn oma?'
`Wat maakt het uit?' zei Bernie.
`Het is niet normaal dat je moet raden wie je bent. Dat moet je weten,'
zei ik.
`Je weet wie je bent, Heidi, en je hebt ook een verleden.'
`Maar het begin ontbreekt,' zei ik. `Tot mama en ik jou leerden kennen.'
`Wat daarvóór is gebeurd is niet belangrijk, schatje. We
kunnen er alleen maar dankbaar voor zijn, want als het niet was gebeurd
zouden jij en ik nu niet hier met elkaar staan praten.'
`Iedereen heeft er recht op om het vanaf het begin te weten,' hield ik
vol.
`Je hebt het recht om het te willen weten,' zei ze.
Niet lang daarna besloot ik een nieuw lijstje te maken. In plaats van
wat ik over mama wist, zou het een lijst worden van dingen die ik niet
over haar wist. Dat waren er zoveel dat ik, toen ik mijn opschrijfboekje
opensloeg, het gevoel had dat dit de langste lijst zou worden die ik ooit
had gemaakt. Ik zag al voor me dat de lijst helemaal tot aan de maan reikte
en weer terug.
Ik begon zoals altijd met het opschrift:
Wat ik niet weet over mama
Daarna schreef ik het eerste op dat er in me opkwam:
Wat is zof?
Het gekke is: toen ik dat geschreven had, kon ik niet verder. Ik staarde
heel lang naar het papier, maar alle andere vragen waaraan ik dacht, leken
opeens onbelangrijk. Wat is zof? klonk het steeds luider in mijn
hoofd, en terwijl ik naar de vraag keek, werden de letters steeds groter
en waziger. Ze verspreidden zich over de bladzijde en dropen als zoete
melkthee over de randen, tot de vraag zo reusachtig groot was geworden
dat ik me kon voorstellen dat hij helemaal in zijn eentje tot de maan
reikte en weer terug. |