Fragment uit Blauw van Joyce Pool

‘Wat doe je raar, Nienke. Is er wat? Ben jij nu boos of zo?’
‘Ik?’ Carien en Peter-Jan kwamen knuffelend de klas binnengewandeld. Kirsten…
‘Was Müller dan zo erg, of wat?’
‘Er is iets gebeurd, Rolink. Ik weet niet wat…’ Maar dat het niet zoiets was als een overwinning op de skeelerbaan van Amsterdam had ik gezien aan het gezicht van Müller.
‘Waar heb je het over?’
‘Ssssttt,’ fluisterde ik. Müller kwam binnen. Zijn blik gleed de klas door maar hij sprak geen woord. Zijn mok stond dit keer op een schotel. Die lag vol koffie.
‘Wilt u stilte?’ vroeg ik zo hard dat hij het kon horen.
Hij knikte.
‘Koppen dicht allemaal en luisteren!’
‘Wie hebben we daar?’ sneerde Kirsten. ‘Modelleerlingetje geworden, “juf Bakker”? We zijn amper binnen.’
Ik negeerde haar. ‘Müller wil wat zeggen.’
Bijna tegelijk draaiden mijn klasgenoten zich om naar onze leraar. Ogenblikkelijk nam het geroezemoes af. Snel werden de laatste rugzakken op de grond gezet. Misschien was mijn angstige voorgevoel besmettelijk.
‘Tsjonge,’ probeerde Müller te grappen. ‘Ik ben onder de indruk. Ik schakel jou vaker in, Nienke.’
‘Niet om het een of ander, meneer Müller,’ zei Bob. ‘Maar als ik een foto zou moeten maken van iemand met een bescheten kop zou ik jou vragen.’ Z’n vette, blauwe stekels weerkaatsten het felle licht van buiten. ‘Drukke nacht gehad?’
Heel even klonk er zenuwachtig gegiechel, dat even abrupt stopte toen Müller geen gevatte opmerking terug maakte zoals anders. In plaats daarvan schuifelde hij op de rand van zijn bureau heen en weer. ‘Jongens... ik heb een verdrietige mededeling voor jullie.’
‘O nee…’ fluisterde Rolinka. Ze greep mijn hand. Haar huid voelde zweterig op de mijne. ‘Een ongeluk?’
‘Vast niet.’ Dan had ik het waarschijnlijk al eerder gehoord.
‘Bob heeft voor de verandering eens gelijk,’ zei hij. ‘Ik heb inderdaad een onrustige nacht achter de rug. Ik wil jullie vertellen waarom.’ Zijn borst en schouders gingen als in slow motion omhoog en een nieuwe steen werd in mijn maag gedumpt.
‘Vannacht werd ik uit bed gebeld. Door ene meneer Schouten. Vluchtelingenwerk. Hij vertelde me dat even voor twaalven Senna, haar ouders en haar broertje van huis zijn gehaald. Ze werden direct naar het vliegveld gebracht.’
Enkele seconden lang kon je een speld horen vallen. Verbijsterd keek ik van Rolinka naar de lege plaats van Senna Ceçik. Senna… Van huis gehaald?
‘Naar het vliegveld…?’ vroeg Bob langzaam. ‘Waarom?’
‘Ze moeten terug naar Turkije,’ zei Müller. ‘De familie Ceçik heeft definitief geen verblijfsvergunning gekregen voor ons land.’
‘Waar heb je ’t over?’ vroeg Kirsten ongelovig. ‘Geen verblijfsvergunning? Het zijn Koerden, ze lopen gevaar in Turkije. Haar vader heeft artikelen geschreven tegen de regering of zoiets. Nederland stuurt hen heus niet terug. No way!’
‘Tja…’ Müller stak zijn handen in de lucht. ‘Toch wel blijkbaar.’
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Naar Turkije? Zomaar? Kon dat?
‘En het schoolfeest dan van volgende week?’ riep Rolinka. ‘Ze verheugde zich er zo op.’
Ineens riep iedereen door elkaar.
‘En het werkstuk waaraan ze met Petra en mij werkte?’
‘Dat boek dat ik van haar heb geleend?’
‘Ze hoort hier!’
‘Ik heb haar gisteravond nog gezien.’ Bob was stijf rechtop gaan zitten. Zijn handen klemden zich om de tafelrand. ‘Ze is niet weg. Je hebt het mis. Ze is gewoon naar de dokter of zo.’ Zijn stem, die nog harder klonk dan normaal, sneed door het lokaal. ‘Waarom maak je zo’n rotgeintje, Müller?’
Met een klap belandde het boek van Petra op de grond. Haar lichaam schokte. Meneer Müller liep naar haar toe en klopte haar onhandig op haar schouder. ‘Ik weet niet waarom ze het juist nu hebben gedaan. Zo onverwacht.’ Vermoeid haalde hij zijn schouders op. ‘Misschien dacht men dat de familie Ceçik zou onderduiken als ze de kans kreeg. Dat gebeurt wel vaker.’
‘Je hebt het mis!’ snauwde Bob. ‘Senna is niet weg.’ Hij sprong op en rende naar de deur. ‘Ik ben kotsmisselijk.’ De deur dreunde achter hem in de sponning.
‘O jongens, ik wou dat het anders was…’ Met gebogen hoofd liep Müller naar zijn tafel terug. Hij schoof z’n stoel naar achteren, enkele papieren vielen op de grond. Niemand raapte ze op.
‘Meneer?’ De zachte stem van Deshmie. ‘Hoe is het dan gebeurd?’
‘Het enige dat ik weet, heb ik gehoord van de man die me belde, de man van Vluchtelingenwerk. Hij was erbij toen gisteravond de mensen van de I.N.D. kwamen. Dat is de club die de asielregels van de overheid uitvoert. Er waren ook zes politieagenten bij…’
Er sloeg een vlam door mijn lijf, zo fel dat ik me moest vastgrijpen aan de vensterbank. O nee, dat niet! Dát alsjeblieft niet! Voor mijn ogen opende zich een zwart gat dat me naar binnen zoog.