| Fragment uit Geeske
en de cirkel van drie van Lida Dijkstra
Waarin Geeske te veel streepjes telt, opa achternareist
naar het Rijk van Mereling en voor het eerst een plaagbeest ziet
Het maanlicht dat door de kieren van de plaggenhut kruipt, maakt de nacht
zwart met zilver. Geeske kijkt om zich heen. Ze kan het tafeltje, de stoel
en de kist gemakkelijk onderscheiden. Aan het voeteneind van haar strozak
hangt de bolle waterketel boven de haardkuil.
Ze wilde dat ze eindelijk eens in slaap viel. Maar dat lukt maar niet
omdat ze zo bezorgd is over opa. Waarom is hij nog altijd niet thuis?
‘Dag ketel,’ zegt Geeske, die wel vaker met dieren of dingen
praat. ‘Weet jij soms waar opa uithangt?’
Buiten stoot een bosuil een dof hoe-hoe uit. Wee het muisje dat niet weet
wat dat betekent... De wind laat de planken van de hut kraken en het plaggendak
ritselen.
Geeske besluit niet langer in haar bed te blijven liggen. Ze smijt de
lappendeken opzij, kruipt van de strozak af en loopt naar het houten tafeltje
met de kandelaar. Ze gaat nog maar eens controleren of ze zich echt niet
heeft vergist. Met vuur van de tondeldoos steekt ze het stompje kaars
aan. Voorzichtig schuifelt ze naar de achterwand van de hut. De lichtkring
van de kaars valt op het hout. Ze brengt haar gezicht tot vlak bij de
gladde plank en bekijkt de streepjes die daar zijn ingekerfd. Voor iedere
dag dat opa van huis is, één streepje. Het is een lange
rij geworden.
Wanneer ze de streepjes opnieuw telt, gaat haar hart wild tekeer. Want
ze weet best dat het er meer zullen zijn dan dertig. En dat er dus iets
mis is met opa.
De ochtend dat hij wegging, golfde de mist over de heide. Kaatje verdween
er tot haar knieën in. Het was zo vroeg dat de vogels nog niet floten.
Ze stond samen met opa naast de voordeur van de plaggenhut.
‘Wil je me die kan even geven?’ Opa nam voorzichtig de bruine
kan aan die Geeske van de grond had gepakt en reeg hem met het oor aan
een touw waaraan al een hele tros kannen en kruiken hing. Hij bond de
rommelige klomp aardewerk aan zijn ransel.
‘Moet u echt gaan?’
Opa legde zacht zijn gerimpelde hand op Geeskes zwarte haren. ‘Ik
moet geld gaan verdienen, dat weet je toch, muisje?’
‘Maar waarom dan? We kunnen best leven van de groente uit de tuin.
En Kaatje geeft melk. Ik vind er niks aan om alleen te zijn.’
Opa nam zijn ransel van de grond en sjorde hem op zijn schouder. ‘We
hebben meer nodig dan eten en drinken, muisje. Soms moeten er nieuwe kleren
of schoenen worden gekocht. We hebben kaarsen en turf nodig, zeep, en
garen om sokken van te breien. Trouwens, je bent nooit alleen. De wereld
is vol goede schepsels die je helpen als je in nood bent of je alleen
voelt, dat heb ik al vaak ondervonden.’
Opa wist duidelijk niets af van de rare geluiden die de nacht maakte,
als Geeske alleen was. Hij wist niet van de zwarte dromen die ze dan droomde.
Als ze niet wakker lag, tenminste. Ze had de vorige keer zelfs Kaatje
in de plaggenhut naast haar bed laten slapen. Maar hoe kon opa dat ook
weten? Ze had het hem niet verteld.
Opa keek vriendelijk op haar neer, terwijl ze nog wat tegensputterde.
‘Het is toch niet de eerste keer dat ik wegga? De vorige keren heb
je je toch ook goed gered? Weet je wat? Kras elke dag een streepje op
de wand van de hut, om bij te houden hoe lang ik weg ben. Voordat er dertig
streepjes naast elkaar staan, ben ik weer thuis. En één
ding is zeker: opa komt altijd weer thuis.’
Hij boog zich zo dicht naar Geeske toe dat zijn neus de hare net niet
raakte. ‘Zeg me eens na: opa komt altijd weer thuis.’
‘Opa komt altijd weer thuis,’ zei Geeske. Maar de woorden
werden zo groot in haar keel dat ze bijna stikte.
‘Zo is het en niet anders,’ zei opa tevreden.
Hij nam de pet van zijn hoofd, streek met zijn hand door zijn haar en
plantte de pet terug.
‘Ik wilde de grote rivier maar eens oversteken. In het Rijk van
Mereling schijnen zich steeds meer mensen te vestigen. Aan hen kan ik
vast wel wat kannen of kruiken verkopen. Tot over een maand, muisje.’
Met die woorden was opa onderweg. Voor de zoveelste keer. Rammelend en
rinkelend stapte hij het zandpad af.
Geeske keek hem na. Van achteren leek hij net een grote, kleurige egel.
Hij draaide zich nog eens om en zwaaide een laatste keer. Toen verdween
hij in de mist.
Geeske houdt de kaars dicht bij het hout. Achtendertig streepjes! Ze slikt.
Geen vergissing mogelijk, er staan echt acht akelige streepjes te veel.
Met de ijskoude tenen van haar ene voet wrijft ze over de andere voet.
Misselijk van ongerustheid is ze opeens weer. Stel dat opa een ongeluk
heeft gehad en gewond langs de kant van de weg ligt?
‘Duvelhale, opa, wat moet ik nou doen?’ fluistert ze.
Al zoveel nachten heeft ze liggen tobben, hopend dat opa toch nog onverwacht
thuis zou komen. Overdag heeft ze uren op het bankje voor het hutje gezeten
en het zandpad afgetuurd, haar ogen bijna gedwongen de bekende gestalte
van opa te zien opdoemen. Maar dat was niet gebeurd.
Nu is de maat vol. Geeske wil niet langer doelloos blijven wachten. Wachten
is nietsdoen. En met nietsdoen helpt ze opa niet.
Ze rukt haar nachthemd uit en trekt haar jurk over haar hoofd. Ze knoopt
een homp brood, een stuk geitenkaas en een roestig mesje in een rode zakdoek.
De zakdoek komt aan een draagstok. Geeske stapt in de zwarte klompen die
altijd naast de deur klaarstaan. En ze loopt de nacht in.
In een hokje dat tegen de plaggenhut is aangebouwd, ligt Kaatje. De witte
geit springt op wanneer ze het meisje hoort.
‘We moeten weg,’ zegt Geeske.
De geit mekkert.
‘Ja, ik blijf ook veel liever thuis dan dat ik naar het Rijk van
Mereling ga,’ zegt Geeske tegen Kaatje. ‘Maar opa zit vast
en zeker in de problemen. Ik moet hem gaan zoeken. En als ik wegga, kun
jij hier niet alleen achterblijven. Kom mee.’
Ze trekt Kaatje aan het touw het hok uit.
‘We gaan de kant op die opa opging, Kaatje. Misschien moeten we
door een paar bossen waar het spookt, maar dat is geen probleem, toch?’
Kaatje mekkert. Ze hangt zwaar aan het touw. Geeske moet behoorlijk trekken
om haar mee te krijgen.
‘Voor spoken hoeven we niet bang te zijn,’ babbelt Geeske,
meer om zichzelf moed in te spreken dan tegen de geit. ‘Opa zegt
dat het verloren zielen zijn, die geen kwaad doen.’
‘Mèhèè,’ zegt Kaatje.
‘Sst.’ Geeske drukt haar wijsvinger tegen haar lippen. ‘Als
we opa willen vinden, moeten we stil zijn. Misschien horen we hem. Misschien
roept hij om hulp.’
Samen lopen ze het zandpad af. Eerst stribbelt Kaatje tegen, maar als
ze begrijpt dat bokken en trekken alleen maar pijn doet, gaat het tuiertouw
steeds slapper hangen. Uiteindelijk kan Geeske het touw helemaal loslaten.
Kaatje wijkt niet meer van haar zijde.
‘Je bent een brave geit,’ prijst Geeske.
Het fluitekruid staat als een hoge, groene muur aan weerskanten van het
karrenspoor. Geeskes klompen klossen dof op het pad. Heel in de verte
kraait een haan.
Hoe moet ze opa ooit vinden? vraagt ze zich vertwijfeld af. De wereld
is vast veel groter dan ze denkt, vol bossen en zeeën en bergen.
En wat nu als opa niet de grote rivier is overgestoken en naar het Rijk
van Mereling is gegaan, maar om de een of andere reden naar het oosten
of het westen is afgebogen? Allerlei enge redenen voor de verdwijning
van opa spelen door haar hoofd. Misschien is hij beroofd. Misschien is
hij zijn geheugen kwijtgeraakt. Dan weet hij niet meer waar hij woont.
Dan weet hij niet eens meer dat hij een kleindochter heeft. Bij die gedachte
springen de tranen alweer in haar ogen.
|