| Fragment uit Hier
is de boze heks van Hanna Kraan
Bloemen voor de boze
heks
De haas droomde van een diep, brommend geluid. Het gebrom was zo hard,
dat hij wakker werd.
‘Het was geen droom,’ zei hij slaperig. ‘Het bromt echt
buiten. Nee, nu is het weg.’
Hij stapte uit bed en deed de deur open. Hij kneep zijn ogen dicht tegen
de zon.
‘Ik heb me verslapen,’ zei hij verbaasd. ‘Dat overkomt
me nooit. Hoe kan dat nou?’ Hij dacht na. ‘Ik heb wel erg
lang liggen lezen, gisteravond…’
Hij rekte zich uit en rende naar buiten. Na een tijdje ging hij langzamer
lopen.
‘Er is iets aan de hand. Maar wat?’
Hij bleef staan en keek om zich heen.
Het was heel stil in het bos. Er was zelfs geen vogel te horen.
Aarzelend liep de haas verder. Overal was het even leeg en stil. De haas
ging naar het huis van de egel. De deur stond open, maar de egel was er
niet. De haas liep een paar maal om het huis heen, toen rende hij naar
de boom van de uil.
‘Uil?’ riep hij angstig.
Alleen de blaadjes ritselden in de wind. De haas rende het hele bos door.
‘Uil! Egel! Merel! Waar zijn jullie?’
Maar niemand gaf antwoord.
‘Iedereen is weg!’ zei de haas ontdaan. ‘Zou de heks
ook weg zijn?’
Hij rende naar het hutje van de boze heks en ging naar binnen.
De heks zat aan tafel en schreef iets over uit haar toverboek.
‘Gelukkig! U bent er nog!’ riep de haas opgelucht. ‘Maar
waar zijn alle anderen?’
De heks keek geschrokken op. ‘Wat doe jij hier? Waarom ben jij niet
weg?’
‘Hoe bedoelt u, weg?’ vroeg de haas. ‘Ik ben net wakker
en…’
‘Vandaar!’ zei de heks. ‘Als je slaapt, werkt de spreuk
niet, dat is waar ook.’
‘Spreuk?’ vroeg de haas. ‘Welke spreuk?’
De heks wees naar haar blaadje. ‘Deze hier. De langste spreuk die
ik ooit gebruikt heb. Om dieren weg te toveren.’
De haas hield zich vast aan de tafel. ‘Weg te toveren? Waar zijn
ze dan heen?’
‘Naar een ver bos,’ grinnikte de heks. ‘Lekker rustig.’
‘Wat gemeen!’ riep de haas. ‘Tover ze onmiddellijk terug!’
‘Nee. Ze blijven voorlopig maar waar ze zijn. Dan weten ze tenminste
weer, wie hier de baas is, hihihi.’
‘Tover mij dan ook maar naar dat verre bos,’ zei de haas.
‘In mijn eentje wil ik hier niet blijven.’
De heks schudde haar hoofd. ‘Het is eigenlijk wel goed, dat je nog
hier bent. Dan kun je me helpen, van tijd tot tijd.’
De haas gaf een harde klap op de tafel. ‘Tover ze terug, of ik kijk
u nooit meer aan!’
De heks schreef verder.
‘Tover ze terug! Nu meteen!’
‘Nee,’ zei de heks.
‘Dan ga ik ze halen!’ zei de haas en boos liep hij naar buiten.
Langzaam liep de haas naar huis.
‘In welk bos zouden ze zijn?’ piekerde hij. ‘Ik moet
ze gaan zoeken, maar waar? Ik weet niet eens, welke kant ik op moet.’
Thuis maakte hij brood klaar en deed het in zijn rugzak.
‘Toch ga ik zoeken. Hier wil ik niet blijven, als de anderen er
niet zijn.’
Hij deed zijn rugzak om en liep naar buiten. Toen hij op de open plek
midden in het bos kwam, bleef hij staan. Welke kant zou hij opgaan? Gewoon
maar rechtuit, besloot hij.
Hij wilde net verder lopen, toen hij een diep, brommend geluid hoorde.
Het begon ook hard te waaien. De haas keek omhoog.
Een zwarte wolk kwam recht op hem af. ‘Een windhoos!’ fluisterde
de haas.
Hij ging plat op de grond liggen en deed zijn ogen dicht.
Het gebrom werd steeds harder. Plotseling veranderde het in gepraat en
geroep.
De haas deed zijn ogen open.
De open plek was vol met dieren. Voor hem zaten de uil en de egel, en
daar waren de merel en de eekhoorn en de kraai, de vleermuis, de konijnenkinderen,
de vogels…
Ze zagen er moe en stoffig uit, maar ze waren er weer allemaal!
De haas sprong op. ‘Jullie zijn weer terug!’ riep hij. ‘Ik
ging jullie net zoeken. Waar zijn jullie geweest?’
‘Weg,’ zei de uil. ‘Ik zat vanmorgen gewoon voor mijn
boom, en ineens kwam er een stormwind en toen was ik weg. Met alle anderen.’
‘Maar waar waren jullie dan?’
‘In een dor en vervelend bos,’ zei de egel. ‘Er was
geeneens een ven. Er was niks aan. Bah.’
Alle dieren riepen door elkaar.
‘We wisten helemaal niet waar we waren…’
‘We hebben dat hele bos doorgelopen…’
‘We waren de weg naar huis aan het zoeken…’
‘En toen kwam er weer zo’n stormwind…’
‘En toen waren we weer hier.’
De uil wees naar de haas. ‘Maar waar was jij? Waarom was jij niet
in dat andere bos?’
‘Ik heb me verslapen,’ zei de haas verlegen. ‘En als
je slaapt, werkt de toverspreuk niet.’
‘Toverspreuk!’ riep de egel triomfantelijk. ‘Ik zei
toch, dat de boze heks er achter zat?’
De haas knikte. ‘Zij heeft jullie weggetoverd. Met een hele lange
spreuk.’
‘Het wordt steeds erger met haar,’ zei de uil hoofdschuddend.
‘Vroeger deed ze dat soort dingen niet.’
‘O nee?’ zei de egel. ‘Ze heeft eens een knoop in mijn
stekels gelegd, en…’
‘Ze maakt het nu echt te bont,’ zei de merel. ‘Die boze
buien en die toverdranken zijn al erg genoeg. Maar als ze ons zomaar wegtovert…’
De haas knikte grimmig. ‘Ze is te ver gegaan.’
‘We nemen het niet!’ riep de kraai. ‘Weg met dat mens!’
‘Ja!’ zei de eekhoorn. ‘Ze moet weg. Voor ze ons weer
wegtovert.’
‘Laat ze zelf maar naar dat dorre bos gaan,’ zei de egel.
‘Weg met de heks!’ riepen de anderen. ‘We zijn het zat!
Weg met haar! Ons bos uit!’
‘Dat is makkelijk gezegd,’ zei de merel. ‘Maar hoe krijgen
we haar weg?’
Het werd stil en iedereen keek naar de haas.
‘Weg hoeft ze nou ook weer niet,’ zei de haas. ‘Ze heeft
jullie teruggetoverd, tenslotte. Maar ze is te ver gegaan…’
‘En dat moet ze weten ook,’ kraste de kraai. ‘Want anders
doet ze het morgen weer.’
‘Ik praat niet meer met haar,’ zei de egel. ‘Dat zal
haar leren.’
‘Misschien is dat een goed idee,’ zei de haas nadenkend. ‘Als
we een tijdje niet met haar praten, dan begrijpt ze wel dat we boos zijn.’
‘Zou je denken?’ vroeg de uil.
‘Joehoe!’ riep een schelle stem.
De dieren keken om. ‘Daar is ze,’ fluisterde de egel.
De boze heks stond aan de rand van de open plek.
‘Een leuke reis gehad?’ grinnikte ze. ‘Zo zie je nog
eens wat van de wereld, hihihi.’
Niemand zei iets, niemand keek haar aan.
De heks hield op met grinniken. ‘Ik heb jullie voor deze keer teruggetoverd.
Maar als jullie lastig zijn, tover ik jullie zo weer naar het andere bos.’
De haas draaide zich om en liep weg. De andere dieren stonden op en liepen
achter hem aan.
De heks bleef alleen op de open plek achter.
Een week later zaten de haas en de uil en de egel weer op de open plek.
‘Hebben jullie de heks gezien, de laatste dagen?’ vroeg de
haas.
‘Nee,’ zei de uil. ‘Begin van de week wel, maar toen
ben ik gauw weggevlogen.’
‘Ik zag haar een paar dagen geleden,’ vertelde de egel. ‘Ze
zei zelfs goeiemorgen. Maar ik deed net, of ik haar niet zag.’
De haas trommelde op de grond.
Ineens stond hij op. ‘Ik ga even naar haar toe. Gaan jullie mee?’
‘Naar haar toe?’ riep de egel. ‘En we zouden ons niet
meer met haar bemoeien, omdat ze te ver is gegaan.’
‘Ja,’ zei de haas. ‘Maar misschien is ze ziek. Of droevig.
Als jullie niet mee willen, ga ik wel alleen.’
De uil stond op. ‘Ik ga mee.’
‘Ik ook,’ zei de egel.
Het hutje van de heks zag er verlaten uit.
‘Er komt geen rook uit de schoorsteen,’ zei de uil. De haas
liep naar het raam en keek naar binnen.
‘Is ze thuis?’ vroeg de egel.
‘Ja,’ zei de haas. ‘Maar ze is haar koffer aan het pakken!’
‘Haar koffer?’ vroeg de uil ongerust.
‘Ze gaat zeker met vakantie,’ zei de egel.
De haas liep naar de deur en ging naar binnen.
‘Goeiemiddag…’
De heks keek op. Ze zag er moe uit.
‘Ga je op reis?’ vroeg de egel.
‘Ja,’ zei de heks dof. ‘Ik ga maar weg.’ ‘Waarheen?’
vroeg de uil.
De heks zuchtte. ‘Dat weet ik niet. Misschien naar mijn zus in het
Zuiden, of anders naar het verre bos…’
Ze knipperde met haar ogen.
‘Waarom?’ vroeg de haas.
‘Iedereen is boos op me. Niemand praat meer tegen me,’ snufte
de heks. ‘Ik kan er niet meer tegen. Daarom ga ik maar weg.’
‘Maar, maar dat hoeft helemaal niet,’ hakkelde de haas.
‘We zijn allang niet boos meer,’ zei de uil. ‘Je mag
gewoon hier blijven,’ zei de egel.
De heks legde haar toverboek in de koffer. ‘Nee. Het is beter, dat
ik wegga.’
De haas trommelde op de tafel.
De uil plukte aan zijn veren.
De egel staarde naar de koffer.
Opeens sprong de haas naar de deur. ‘Nog niet weggaan!’ riep
hij. ‘Wacht even tot we terug zijn.’ Hij trok de anderen mee
naar buiten.
‘Ze gaat echt weg,’ zei de uil ontdaan. ‘Voorgoed.’
‘Ze laat ons alleen,’ zei de egel met een klein stemmetje.
‘Nu zijn wij te ver gegaan,’ zei de haas. Het arme mens…’
‘We moeten haar tegenhouden,’ zei de uil gejaagd. ‘Maar
hoe?’
‘We gaan tegen de deur duwen!’ riep de egel. ‘Dan kan
ze er niet uit.’
‘Dat helpt niet,’ zei de haas. ‘Ze moet goed weten,
dat we echt niet boos meer op haar zijn.’ Hij dacht diep na.
‘Uil, wij gaan de anderen halen. Egel, jij plukt bloemen. Zo veel
mogelijk. Opschieten! We hebben niet veel tijd.’
De heks deed haar koffer dicht en keek om zich heen. Ze keek naar de kast
vol potjes en flesjes, naar haar heksenketel, ze aaide over haar stoel.
Toen zuchtte ze diep.
Ze pakte de koffer van de tafel, haar bezem uit de hoek, en liep langzaam
naar de deur. Maar plotseling vloog de deur open en daar stonden de haas
en de egel, met bloemen in hun hand.
De egel wees naar de koffer. ‘Je zou wachten!’ riep hij. ‘Dat
had je beloofd!’
‘Ja,’ zei de heks. ‘Maar…’
‘We zijn gelukkig net op tijd,’ zei de haas. ‘Hier,
deze bloemen zijn voor u.’
De heks zette haar koffer en haar bezem neer en pakte de bloemen aan.
‘Maar die kan ik toch niet meenemen?’
De uil en de merel kwamen binnen, ook met bloemen. ‘Alstublieft,’
zei de uil. ‘En dat u nog maar lang mag blijven.’
‘Blijven?’ vroeg de heks. ‘Maar…’
De konijnenkinderen sprongen naar binnen en duwden en stompten de anderen
opzij. ‘Kijk eens, heks! Kijk eens wat een mooie bloemen! Allemaal
voor jou!’
De eekhoorn en de kraai stonden met bloemen op de drempel.
De heks keek naar buiten. Alle dieren van het bos stonden voor haar deur
en allemaal hadden ze bloemen bij zich.
De heks veegde langs haar ogen.
‘Niet huilen,’ zei de egel benauwd. ‘Daar kan ik helemaal
niet tegen.’
De haas sprong op een stoel.
‘Kortom,’ zei hij plechtig, ‘wilt u bij ons blijven?’
‘Alsjeblieft?’ vleide de egel.
De heks snoot toeterend haar neus. ‘Maar ik dacht, dat jullie me
weg wilden hebben.’
‘Dat dachten wij ook,’ zei de haas vlug. ‘Maar u hoort
hier, bij ons.’
‘Een bos zonder heks, dat kan toch niet,’ zei de uil.
De heks schoof haar koffer onder de tafel.
‘Ik blijf!’ zei ze stralend.
‘Hoera!’ juichten alle dieren. ‘Leve onze heks!’
‘En nou voortaan geen getover meer!’ riep de merel.
Het gezicht van de heks betrok.
‘Dat kan niet,’ zei ze. ‘Ik ben nu eenmaal een heks
en een heks moet nu eenmaal toveren.’
De haas glimlachte. ‘De merel bedoelt, dat u ons niet meer moet
wegtoveren. Maar die andere spreuken en die toverdranken van u, daar kunnen
we wel tegen.’
‘Wij wel!’ riep de egel. ‘Tover maar zoveel je wilt.’
‘Ik zal soep toveren,’ zei de heks. ‘Voor ons allemaal.’
Ze mompelde een spreuk. Het begon lekker te ruiken in de heksenhut en
de ketel in de hoek was ineens vol dampende soep.
‘Soep voor iedereen!’ zei de heks. ‘En als het niet
genoeg is, tover ik er gewoon wat bij.’
De egel gaf de merel een zet. ‘Zie je nou dat het handig is, dat
getover? Een heks in het bos, daar heb je wat aan.’
|