| Fragment uit Hoe
verliefd mag je zijn? van Katarina von Bredow
Frida wilde dat het weer goed zou zijn tussen ons, dat alles vergeven
en vergeten zou zijn, en dat wilde ik natuurlijk ook. We hadden het er
niet meer over, maar ik voelde het toch. Het hing in de lucht toen we
samen de trap opliepen naar de eerste les.
Daarna gebeurden er twee dingen.
Het eerste was niet zo vreselijk. Andreas kwam achter ons aangerend, pakte
mijn hand, trok me mee een andere gang in en sloeg zijn armen om me heen.
‘Ik moest je even vasthouden,’ fluisterde hij. ‘Ik heb
de hele nacht aan je gedacht. Ik dacht dat ik gek werd, het wilde maar
geen ochtend worden!’
‘Goh,’ zei ik en ik voelde me schuldig omdat ik zelf zo goed
had geslapen.
Maar het hield me niet tegen. Ik zei het toch. Ik moest het nu meteen
doen. Bovendien irriteerde het me een beetje dat hij me zomaar had meegetrokken.
‘Frida is mijn beste vriendin,’ zei ik. ‘Ik zou me echt
ontzettend rot voelen als ik haar moest laten stikken of niet meer met
haar om kon gaan of zo. Dat moet je begrijpen. Anders heeft het geen zin.’
Hij liet me los en hij keek een beetje beledigd.
‘Dat begrijp ik heus wel,’ zei hij. ‘Je kunt zoveel
tijd met haar doorbrengen als je maar wilt.’
‘En jij bent niet degene die bepaalt wat ik wel of niet aan haar
mag vertellen,’ ging ik snel verder, nu ik nog durfde. ‘Zo
is het gewoon.’
‘Ik wil helemaal niet bepalen wat jij wel of niet mag,’ zei
Andreas. ‘Ik zei alleen dat je goed moest nadenken over wat je echt
aan haar wílt vertellen.’
Ik zei een paar seconden niets, ik probeerde te begrijpen wat de woorden
die hij net had gezegd, eigenlijk betekenden. Toen knikte ik.
‘Oké,’ zei ik toen. ‘Dat wil ik wel beloven.
Dat ik zal nadenken bedoel ik.’
‘Mooi,’ zei Andreas en toen trok hij me weer naar zich toe.
‘Verpest nou niet alles!’
Zijn handen gingen weer over mijn lijf, ze waren gretig en overal, ik
keek onrustig rond. Ik verlangde terug naar Frida.
‘Niet hier,’ mompelde ik terwijl ik me losmaakte.
‘Oké, oké,’ zei Andreas.
Frida stond nog te wachten, precies waar Andreas ons had ingehaald en
me had meegetrokken. We liepen verder en Andreas liep met ons mee. Toen
we in de buurt van het klaslokaal kwamen, sloeg hij zijn arm om mijn schouders.
Opeens konden Frida en ik nergens meer over praten. Ik keek haar verontschuldigend
aan en ze haalde even haar schouders op, bij wijze van antwoord, alsof
ze wilde zeggen dat dat er nou eenmaal bij hoorde. Gelukkig begreep ze
het. Gelukkig was ze wie ze was.
Dat was het eerste dat gebeurde. Het andere was kleiner. Kleiner, maar
tegelijkertijd veel groter.
We wilden net op onze plek gaan zitten, toen Adam de klas binnenkwam,
een paar minuten te laat en een beetje buiten adem. Hij legde zijn wiskundeboeken
en een half uit elkaar hangend schrift op de tafel achter Andreas en keek
rond. Eén honderdste van een seconde voordat het gebeurde, begreep
ik wat er zou gaan gebeuren en ik begreep niet dat ik daar niet eerder
aan had gedacht. Nu kon ik mijn blik niet meer afwenden, ik had geen enkele
kans, ik begreep het veel te laat, en Adams donkere blauwgrijze ogen keken
recht in de mijne en zijn mond glimlachte en vormde het woord ‘hoi’.
Een heel speciaal hoi. En Frida zag het.
Hij dacht dat het niet opviel.
Hij dacht dat het een heel klein tekentje van verstandhouding was, alleen
tussen ons.
Hij begreep natuurlijk niet wat hij deed.
Hij kon toch niet weten dat hij net zo goed een dolk in mijn rug had kunnen
steken.
Frida’s blik schoot van hem naar mij, verbaasd, vragend, en ik moest
wel met een verklaring komen. Meteen.
‘Ik was het vergeten,’ fluisterde ik, terwijl mijn hart wild
tekeerging in mijn borst. ‘Door dat met Andreas. Ik ben Adam vrijdag
tegengekomen in het park. Tarzan was weggerend en… Adam had hem
gevonden.’
Dat was toch bijna waar. Het kwam zo dicht bij de waarheid als het maar
kon.
‘Vergeten?!’ fluisterde Frida. ‘Hoe kon je dat nou vergeten?’
‘Ja, maar er is verder niets gebeurd, ik bedoel, we hebben verder
over niets bijzonders gepraat, hij had gewoon Tarzan gevonden en wilde
net de eigenaar gaan zoeken en toen kwamen we elkaar tegen en ik kreeg
mijn hond terug en… toen kwam dat met Andreas, dus toen heb ik helemaal
niet meer aan Adam gedacht.’
Nu was het helemaal niet meer waar. Niets was nog waar.
Maar Frida knikte. Ze zag er niet uit alsof ze helemaal gerustgesteld
was door mijn hakkelende verklaring, maar ze nam hem aan.
Het duurde een hele tijd voordat mijn hart weer tot rust kwam. Het bleef
maar bonken van de angstige opluchting, maar ook van iets anders, een
vreemde blijdschap die boven kwam drijven na de eerste schrik, een fladderende
kleine kolibrie in mijn borst. Hij wist het nog. Onze ontmoeting betekende
iets voor hem. De echte werkelijkheid had hem ook geraakt.
De sommen dansten over de bladzijden van mijn wiskundeboek. Het werd niet
beter toen Hakje op het bord probeerde uit te leggen wat je moest doen.
De cijfers en letters dansten in het rond en wilden absoluut niet met
zich laten rekenen.
Hakje heette eigenlijk Gunnar Hakkvist. Maar omdat hij vrij klein was
en altijd schoenen met hakken droeg, had hij de bijnaam Hakje gekregen.
Ik denk dat hij al net zo lang op school was als de rector, maar hij leek
het werken in het onderwijs niet als een soort hogere roeping te zien.
Hakje deed wat hij moest doen en probeerde ons dat ook te laten doen,
niet meer en niet minder dan dat. Hij rook een beetje muf en bedompt,
dus iedereen probeerde er zo lang mogelijk zelf uit te komen met de sommen
en getallen, zodat je hem niet om hulp hoefde te vragen en gedwongen was
om die geur in te ademen als hij over je heen hing om iets aan te wijzen
of uit te leggen. Het leek wel of je werd opgesloten in een hok met oude,
natte dweilen, schimmel op de muren en weggehangen kleren die nooit naar
de stomerij waren gebracht.
Ik wilde naar Adam kijken, heel even maar, één honderdste
van een seconde, om te zien of hij nog een keer mijn kant op keek, maar
ik durfde niet vanwege Frida. Ik had al mijn energie nodig om niet naar
Adam te kijken, dus ik had niets meer over om iets zinnigs met die letters
en cijfers te kunnen doen.
Frida probeerde het uit te leggen. Ze was goed in wiskunde. Eigenlijk
was ik zelf ook niet echt slecht in wiskunde en ik had er helemaal geen
problemen mee gehad toen we er vorige week mee waren begonnen. Alleen
nu. De cijfers en letters dartelden in het rond op de luchtstroom die
door de vleugels van de kolibrie werd veroorzaakt.
‘Wat is er met je aan de hand?’ fluisterde Frida. ‘Kun
je aan niets anders dan Andreas denken of zo?’
‘Overdosis,’ fluisterde ik terug. ‘Een overdosis leven.’
|