| Fragment uit Krik
van Hanna Kraan
De tuin
Krik sprong van boom tot boom tot boom. Na heel veel bomen rustte hij
uit op een tak en keek naar beneden. Daar, tussen de stammen, zag hij
een groen hek.
‘Raar,’ zei Krik. ‘Wie zet er nou een hek in het bos?’
Hij schommelde op de tak en zong:
‘Wat raar, wat gek
daar staat een hek.’
Toen sprong hij naar de volgende boom, aan de andere kant van het hek.
‘Een eekhoorn hou je niet tegen,’ zei hij trots. ‘Een
eekhoorn gaat gewoon bovenlangs.’
Twee bomen verder bleef hij staan.
‘Hee, het bos houdt op.’
Hij zag een grasveld en bloemen en een vijver. En achter het grasveld
een wit huis met groene luiken.
‘Een tuin! Daarom staat er een hek. Nou snap ik het.’
Krik ging op het puntje van een tak zitten en keek naar het huis. Het
zag er verlaten uit. Alle luiken waren dicht.
‘Een leeg huis. Dat kan geen kwaad. Dan kan ik wel even in de tuin
kijken.’
Krik gleed langs de stam naar beneden en liep de tuin in.
‘Wat een mooie tuin. En vlakbij het bos. Hier wil ik wel wonen.’
Hij huppelde terug naar de boom. In de schaduw van de takken lag een grote
steen.
‘Maar dat is handig. Daar kun je op zitten.’
Krik klom op de steen en hij zong:
‘Hier zit Krik
helemaal alleen
op een grote steen.’
Onder de steen rommelde iets. Een deur knarste open en een krakende stem
riep: ‘Hee! Wat moet dat daar, op het dak?’
Geschrokken keek Krik naar beneden.
Een donkere pad, vol plooien en rimpels, stond voor de steen. Hij schudde
zijn vuist.
‘Eraf jij! Van mijn huis af!’
‘Huis?’ vroeg Krik. ‘Is dit een huis? Ik dacht, dat
het een zitsteen was.’
‘Geen zitsteen,’ kraakte de pad. ‘Een woonsteen. De
steen van Domper.’
Krik sprong op de grond. ‘Wie is Domper?’
‘Ik ben Domper. En wie ben jij?’
Krik sprong op en neer en zong:
‘Ik ben Krik
Krik ben ik
ik ben Krik
Krik ben ik.’
‘Ja ja, nou weet ik het wel,’bromde de pad. ‘Als je
maar van mijn steen afblijft.’
Hij ging naar binnen. Met een klap viel de deur achter hem dicht.
Krik liep naar de boom en keek omhoog.
‘Dit zou een goeie woonboom zijn. Hoog en groot, met sterke takken.’
Hij klopte tegen de stam.
‘Woont hier iemand?’ riep hij naar boven.
Alles bleef stil. Alleen de blaadjes ritselden.
‘Toch maar even vragen. Voor alle zekerheid.’
Krik liep weer naar de steen van Domper.
Hij wilde kloppen, maar toen zag hij twee bordjes, naast de deur.
Op het bovenste bordje stond: Voor 12 uur niet storen.
Op het onderste bordje stond: Na 12 uur niet storen.
Krik aarzelde. Hij keek om zich heen, maar hij zag niemand anders in de
tuin. Hij haalde diep adem en klopte.
Hij hoorde slepende voetstappen, gemopper dat dichterbij kwam, en daar
was Domper weer. Hij wees naar de bordjes.
‘Kun je niet lezen?’
‘Jawel,’ zei Krik gauw. ‘Maar ik kom niet storen, ik
kom iets vragen.’
‘Wat dan?’
‘Woont er iemand in deze boom hier?’
‘Nee,’ zei Domper kort. ‘Boom ernaast wel. Daar woont
een merel. Herrieschopper. Bah. Maar hier woont niemand.’
Krik danste heen en weer.
‘Eindelijk! Dan kom ik hier wonen!’
‘Hier?’ kraakte de pad. ‘Waarom? Heb je geen huis?’
Krik stond stil. ‘Mijn huis is weg. Ik woonde daar, in het bos.
Maar toen kwamen er mannen met een zaag.’
Domper schrok. ‘Boom omgezaagd?’
‘Ja,’ zei Krik treurig. ‘Helemaal weg. Ik zoek al dagen
een ander huis. Maar overal woont al iemand.’
‘O,’ zei Domper. ‘Nou ja. In dat geval… Als je
maar geen herrie schopt.’
Hij draaide zich om en ging naar binnen.
Krik holde naar de boom en klom erin.
‘Een echte Krikboom,’ zei hij tevreden. ‘Mooi en groot
en helemaal van mij.’
Hij hoorde iets, in de tuin. Hij duwde een paar bladeren opzij om te kijken.
Toen schrok hij zo, dat hij zich aan de tak moest vasthouden.
De luiken van het huis waren open en daar ging de tuindeur ook open. Een
jongen en een meisje holden naar buiten.
‘Wat is het gras hoog geworden,’ riep het meisje.
‘Ja, natuurlijk,’ zei de jongen. ‘Dat is de hele vakantie
niet gemaaid.’
‘Helpen jullie de auto uitladen?’ vroeg een man vanuit de
deuropening.
De kinderen holden weg.
Krik staarde lang naar het huis. Toen zuchtte hij diep en klom langzaam
naar beneden. Met gebogen hoofd liep hij naar de steen van Domper. Hij
keek naar de bordjes naast de deur, haalde zijn schouders op en klopte.
‘Domper!’ riep hij. ‘Ik kom niet storen. Ik kom afscheid
nemen.’
De deur ging open.
‘Afscheid?’ kraakte Domper. ‘Je bent er net.’
‘Ja,’ zuchtte Krik. ‘Maar er wonen mensen in het huis.’
‘Nou en?’
‘Mensen zijn gevaarlijk. Die hebben een zaag.’
Domper schudde zijn hoofd. ‘Deze niet.’
‘Zagen ze geen bomen om?’
‘Nee. Nooit.’
Krik keek weifelend naar het huis.
‘’s Winters strooien ze brood,’ vertelde Domper. ‘En
ze hangen nootjes op.’
Krik maakte een sprongetje. ‘Nootjes?’
‘Nootjes,’ knikte Domper. ‘Nootjes in een netje.’
‘Dan zijn we buren,’ zei Krik. ‘Ik blijf!’
|