Fragment uit Leerling van de kraai van Nancy Farmer

Lammeren vangen

Jack werd wakker voor zonsopgang en luisterde naar de koude februariwind die de muren van het huis geselde. Hij zuchtte. Dit werd weer een rotdag. Hij staarde naar de balken boven zijn hoofd, genietend van de laatste warme minuten. Hij lag gewikkeld in een cocon van wollen dekens op een bed van gedroogde heide. De vloer lag diep, onder het niveau van de grond. De wind die zich onder de deur door wist te persen, waaide over zijn hoofd heen.
Het was een goed huis, met eikenstammen die met de kant van de wortels naar boven in de grond waren gezet, zodat het vocht niet uit de aarde kon optrekken. Als zevenjarige had Jack zijn vader het huis zien bouwen. Vader had gedacht dat een kind zo’n ingewikkelde klus niet kon begrijpen, maar Jack snapte het best. Hij had goed opgelet en dacht dat hij zelf ook een huis zou kunnen bouwen, zelfs nu nog, vier jaar later. Jack vergat heel weinig van wat hij zag.
Aan de andere kant van de langgerekte kamer stond moeder het kookvuur op te porren. Het licht danste op de vliering. Daarboven was het warmer, maar rokerig. Zijn ouders en zijn zusje sliepen daar. Jack had liever de frisse lucht naast de deur.
Moeder strooide haverkorrels in kokend water en roerde krachtig in de pap. Ze deed er honing bij; Jack kon het ruiken. Tussen de kolen gloeide de pook waarmee moeder straks de kommen cider zou verwarmen die ze op een rijtje op een plank had gezet.
‘Het is zo koud,’ klaagde Lucy op de vliering. ‘Mag ik ontbijt op bed?’
‘Een prinses is niet bang voor zoiets onbenulligs als kou,’ zei vader.
‘Prinsessen wonen in een kasteel,’ merkte Lucy op.
‘Aha, maar dat geldt niet voor verdwaalde prinsessen.’
‘Moedig haar nou niet aan,’ zei moeder.
‘Ben ik echt verdwaald, vader?’ vroeg Lucy. Jack wist dat ze dol was op dit verhaal.
‘Nu niet meer. Wij hebben je gevonden,’ zei vader liefdevol.
‘Ik lag onder een rozenstruik, met een gouden munt in mijn hand.’
‘Je bent geboren in dit huis, niet in een of ander droomkasteel,’ viel moeder uit. Ze stak de hete pook in de eerste kom cider. Jack kon de zware geur van appels ruiken. Hij wist dat Lucy toch niet naar moeder luisterde. Het was veel interessanter om een verdwaalde prinses te zijn dan een boerendochter. Maar die gouden munt bestond echt. Vader had hem bij het spitten in de tuin gevonden. Er stond een kop van een man op, een Romeinse koning volgens vader.
‘Op een dag rijdt er een troep ridders langs,’ zei Lucy.
‘Ze zijn al naar je aan het zoeken sinds de trollen je meenamen,’ zei vader. ‘De trollen wilden je opeten, liefje, maar omdat ze nu eenmaal trollen waren kregen ze ruzie met elkaar.’
‘“Zullen we haar roosteren, met een appel in haar mond?”’ zei Lucy, want ze had het verhaal al heel vaak gehoord. ‘“Of zullen we pastei van haar maken?’”
‘“Pastei! Pastei!” brulde de helft van de trollen,’ zei vader. ‘De andere helft riep om geroosterde baby. Ze kregen ruzie en al snel hadden ze elkaar buiten westen geslagen. Op dat moment kwam ik langs, en ik vond je.’
‘Op een dag kloppen de ridders op onze deur,’ zei Lucy. ‘Dan maken ze een buiging voor me en zeggen: “Kom, word onze koningin.”’
‘Waarom stop je haar hoofd vol met die onzin?’ wilde moeder weten.
‘Wat kan het voor kwaad?’ antwoordde vader.
Jack wist dat moeder voor zijn geboorte twee baby’s had verloren, en nog twee daarna. Ze dacht dat ze er nooit meer een zou krijgen, maar tot ieders verbazing had ze dit tweede, volmaakte kind gebaard.
Lucy had gouden haar dat je aan zonlicht deed denken. Haar ogen hadden de kleur van de viooltjes die diep in het woud groeiden. Ze was zo licht als een distelpluisje, vrolijk als een leeuwerik. En omdat ze pas vijf was en er altijd van haar was gehouden, hield zij op haar beurt ook van iedereen. Ondanks alles kon Jack geen hekel aan haar hebben.
Intussen droeg vader haar de ladder af. Daar was ze eigenlijk te groot voor. Jack zag het gezicht van zijn vader van pijn vertrekken terwijl hij zich onhandig van de ene tree op de andere liet zakken. Maar hij zag ook blijdschap – blijdschap die er zelden was als Tom Krombeen naar zijn zoon Jack keek.
Jack wierp de dekens van zich af en stond op, rekkend en strekkend om de nieuwe dag door zijn lichaam te laten stromen. Zoals iedereen sliep hij in zijn kleren, dus hij hoefde zich niet aan te kleden.
Hij trok de wol uit de kier onder de deur en stapte naar buiten. Grijs licht kroop over de zee in het oosten. Het sijpelde door naar de hei en doofde abrupt in het donkere woud in het westen. De hemel had de kleur van zwart ijs. Dit werd een akelige dag.
Jack rende naar het privaat. Hij sprong op en neer, anders bleven zijn schoenen aan de bevroren grond plakken. De bard zei dat de ijsreuzen loerden op onvoorzichtige mensen, die ze verdoofden met hun mistige adem. Hoe verleidelijk het ook was, je mocht hartje winter nooit buiten op de grond gaan liggen. Dan kregen de ijsreuzen je te pakken, met hun gefluister over de warmte die de slaap je zou geven.
Jack rende terug naar huis, uitglijdend over een laagje ijs dat hij niet had gezien. Hij vloog naar binnen en bleef hijgend staan stampen om het gevoel in zijn voeten terug te krijgen.
‘Koud, hè?’ zei vader. Hij zat met Lucy op schoot naast het vuur.
‘Zo koud als een trollen…’
‘Dat soort taal wil ik hier niet hebben,’ zei moeder streng.
Grijnzend liet Jack zich naast het vuur vallen. Moeder gaf hem een kom cider, en hij warmde zijn handen eraan.
‘De ooien zullen nu wel aan het lammeren zijn,’ merkte zijn vader op.
‘O ja,’ beaamde moeder.
‘Ik ben dól op lammetjes,’ kwebbelde Lucy, terwijl ze haar kom cider omklemde.
‘Jij hoeft die kleine krengen niet te gaan zoeken,’ zei Jack.
‘Zo heeft God het bedoeld,’ zei vader. ‘Adam zondigde en daarom moeten wij in het zweet des aanschijns ons brood verdienen.’
‘Amen,’ zei moeder.
Jack vroeg zich af waarom iets wat bij het begin van de wereld was gebeurd hen nu nog steeds moest achtervolgen. Hoe lang duurde het voor hun straf erop zat? Zou het niet logisch zijn als God na een jaar of duizend zei: Goed, zo is het wel genoeg. Kom nu maar weer terug naar het paradijs? Maar dat zei Jack niet hardop. Als het om het geloof ging, werd vader erg gauw kwaad.
Vader had priester willen worden, maar zijn ouders waren niet rijk genoeg geweest om het toegangsgeld voor het klooster te betalen. Het was een voortdurende bron van verdriet voor de man, want met zijn mismaakte been kon hij het boerenwerk maar moeilijk volhouden.
Vaders mooiste herinnering was zijn bezoek aan het Heilige Eiland toen hij een jongeman was. Hij was erheen gebracht in de hoop op genezing, en de monniken en hun vreedzame bestaan hadden hem met ontzag vervuld. Zij hoefden geen ploeg door een stenig veld te trekken. Ze hoefden geen hout te kappen in een angstaanjagend bos, op hun hoede voor wolven of, erger, kobolden die jongetjes verslonden.
Helaas, zelfs de vriendelijke monniken konden Tom Krombeens kwaal niet genezen. Ze konden niet meer doen dan hem zacht, wit brood en geroosterd lam met rozemarijn te eten geven. Ze baden voor hem in een kapel met een gebrandschilderd raam, dat straalde in alle kleuren van de regenboog als de zon erdoor scheen.
‘Ik wilde vandaag het dak van de stal maar eens repareren,’ zei vader.
Jack fronste zijn voorhoofd. Dat betekende dat het lammeren jagen, een naar klusje, op hem neerkwam. Hij stak het brood van gisteravond in zijn pap. Als het niet doorweekt was, was het te hard om te eten. Het zand dat altijd in de donkere, compacte broden van zijn moeder zat, knarste tussen Jacks kiezen.
‘Mag ik kijken, vader?’ vroeg Lucy.
‘Natuurlijk, lieverd. Maar ga niet onder de ladder zitten. Dat brengt ongeluk.’
Dat brengt ongeluk omdat vader dan misschien wel een hamer op haar hoofd laat vallen, dacht Jack. Ook dat zei hij niet hardop.
‘Deze week is het onze beurt om de bard te eten te geven,’ zei moeder.
‘Ik doe het wel,’ zei Jack snel.
‘Natuurlijk doe jij het,’ zei vader. ‘Denk maar niet dat je eronderuit komt vanwege de lammeren.’
Echt weer wat voor hem, dacht Jack. Bood hij een keer aan om te helpen, moest zijn vader er meteen zo’n onaardige draai aan geven. Maar Jack was te blij met zijn nieuwe klusje om lang geïrriteerd te blijven.
Al snel had hij zijn brood en pap op. Hij goot de warme cider naar binnen en maakte zich klaar voor de lange dag. Om te voorkomen dat zijn tenen bevroren, stopte hij wol in zijn dunne schoenen. Hij wikkelde extra lappen stof om zijn benen, trok een extra hemd aan en sloeg een mantel om. De mantel was met talk ingesmeerd om hem waterdicht te maken. Hij was zwaar, maar de warmte maakte veel goed. Ten slotte hing Jack een tas met eten om zijn schouder.
‘Denk eraan, niet tot vervelens toe bij de bard blijven rondhangen,’ zei vader toen Jack de deur uitging.
De wind wapperde de mantel over Jacks hoofd. Hij trok hem naar beneden en sloeg hem strak om zich heen. Bij het lopen knisperde het ijs onder zijn voeten. De hele wereld was zo helder als glas, en Jack kon de bergen achter het woud in het westen en de koude zee in het oosten zien liggen. Op een hoge rots boven de kust stond het oude Romeinse huis waar de bard woonde. Jack zag een sliert rook, die door de wind uiteen werd getrokken.
Hij vroeg zich af waarom de oude man ervoor koos om daar te wonen. Het huis was in zo’n slechte staat dat alle hout van de wereld de vochtige kilte niet kon verdrijven. Misschien vond de bard het prettig om vlak bij zee te wonen. Over zee was hij naar hen toe gekomen, in een huidbootje dat als een speeltje op de golven dobberde. Het was een wonder dat hij het had overleefd, maar misschien had de bard zijn bootje met magie tegen gevaar beschermd.
Jacks hart begon sneller te kloppen. Hij wist natuurlijk van de kleine toverkunstjes die zijn moeder beheerste. Van haar had hij geleerd hoe je met bijen kon praten en hoe je bange dieren met een lied gerust kon stellen. Maar de bard wist belangrijke dingen. Er werd gefluisterd dat hij vijanden krankzinnig kon maken door op een strosprietje te blazen. Hij wist hoe je de noordenwind opriep en hij praatte met kraaien.
De oude man was twee jaar eerder in het dorp aangekomen en was onmiddellijk begonnen bevelen uit te delen. Binnen de kortste keren had hij het Romeinse huis ingericht met een bed, een tafel, een stapel dekens en een voorraad eten. Niemand trok zijn recht op al die zaken in twijfel.
‘Ik kom proviand brengen, heer,’ riep Jack bij de deur van het eeuwenoude huis. Hij luisterde of hij de voetstappen van de oude man hoorde. Even later hoorde hij een zucht en het bonzen van een staf. De bard trok de deur open en zijn gezicht lichtte op van blijdschap.
‘Jack! Wat een verrassing!’
Dat was een van de redenen dat Jack hem graag mocht. Hij zei nooit: wat, jij weer? Hij leek juist blij om hem te zien.
‘Zal ik de cider voor u warm maken?’ vroeg Jack.
‘Ah! Het prachtige werk van je moeder,’ zei de bard. ‘Ze heeft wijsheid in haar vingers, jongen. Let op mijn woorden.’
Jack legde een pook in het vuur en schonk een kom vol.
‘Ik neem aan dat jij vanmorgen op lammerenjacht moet,’ zei de bard, die ging zitten en zijn knokige voeten naar het vuur uitstrekte. ‘Als je het wilt weten, zes ooien hebben hun lammeren geworpen. Ze zitten in de kooi in het westen.’
Jack twijfelde er niet aan. Iedereen wist dat de bard helderziend was. Of de oude man in een vogel veranderde en over de velden scheerde of met passerende vossen sprak, niemand wist het precies. Maar de bard wist wat er om hem heen gebeurde, en nog een heleboel meer ook.
Jack hield de pook in de gaten tot die begon te gloeien en liet hem sissend in de kom zakken. ‘Zal ik drijfhout gaan zoeken, heer?’ vroeg hij. Hij wilde zo lang mogelijk blijven.
‘Je doet er een halve dag over om die lammeren bij elkaar te scharrelen,’ zei de bard, genietend van de damp die van de warme cider af kwam. ‘Als je klaar bent, mag je hierheen komen.’
Jack wist niet of hij het wel goed had verstaan. Tenzij er een klusje voor hem was, wilde nooit iemand hem erbij hebben. ‘Hebt u hulp nodig, heer?’ informeerde hij beleefd.
‘Hulp? Húlp, jij ongekiemde spruit? Bij Odins wenkbrauwen, ik vraag je voor het middageten. Moet ik een uitnodiging voor je schrijven? Nee, nee,’ zei de oude man met een zucht. ‘Die zou je toch niet kunnen lezen. Niemand heeft de moeite genomen het je te leren. Ik neem het je moeder niet kwalijk. Die heeft gedaan wat ze kon, met die van monniken bezeten man van haar…’
De bard zat nog een tijdje in zichzelf te praten, zijn handen om de warme ciderkom gevouwen. Hij leek Jack helemaal te zijn vergeten.
‘Ik wil graag komen,’ zei de jongen.
‘Wat? O, heel mooi,’ zei de bard, waarna hij hem de deur uit wuifde.
Jack was zo verbijsterd dat hij opeens merkte dat hij door de heuvels op weg was naar de schaapskooi, zonder te weten hoe hij daar was gekomen. De wind rukte aan zijn mantel en het ijs priemde in zijn schoenen. Wat zou de bard in vredesnaam van hém willen? Er waren wel tien jongens die drijfhout en emmers water naar het Romeinse huis brachten, maar voorzover Jack wist was geen van hen ooit voor het middageten gevraagd.
Waarom was hij eruit gepikt? De zoon van het dorpshoofd was groter en had meer geleerd. De zoon van de hoefsmid was sterker. De zoon van de molenaar bracht de bard fijne witte broden. Jack had, moest hij toegeven, niets bijzonders te bieden.
Het eerste lammetje vond hij ineengedoken tegen een heg. De moeder viel hem aan, maar Jack schopte haar van zich af. Die zwartkopschapen waren zo wild als berggeiten. Met het rillende kleintje veilig onder zijn mantel haastte hij zich de heuvel af, onderweg steeds de moeder van zich af duwend. Hij legde het lam op een hoop stro in de stal en ontweek op weg naar buiten de hoorns van de ooi.
Zo liep hij heen en weer, tot hij ze alle zes had gevonden. Tegen die tijd zat hij onder de modder en de blauwe plekken van alle kopstoten. Ik haat schapen, dacht hij terwijl hij de staldeur dichtsloeg.
‘Vergeet niet ze te voeren,’ riep vader vanaf het dak.
‘Heb ik al gedaan,’ zei Jack. Waarom zei vader niet gewoon: Zes lammetjes? Goed werk! Waarom was hij nooit tevreden?
Ondanks vaders waarschuwingen zat Lucy onder de ladder. Ze was in een schapenvel gewikkeld en leek nog het meest op een dik konijntje. Ze zwaaide opgewekt, en ondanks zijn ergernis zwaaide Jack terug. Het was moeilijk om boos te worden op Lucy.


De leerling

‘Kom binnen!’ riep de bard toen Jack zenuwachtig in de deuropening bleef staan. De jongen keek om zich heen, op zoek naar een lege emmer of een sterk geslonken houtvoorraad die zijn aanwezigheid kon rechtvaardigen. Alles leek in orde.
‘Ik heb je niet hier gevraagd om te werken,’ zei de bard. Jack kromp ineen. Kon de oude man ook al gedachten lezen?
Onder het eten, tussen mondenvol kaas, brood en cider door, vroeg de bard Jack naar dingen die zo gewoon waren dat ze nauwelijks het bespreken waard leken. Hoe klonk water als het over gras stroomde? Hoe klonk het sijpelend door een moeras? Hoe veranderde het zingen van de wind terwijl hij van het riet op de rivieroever naar het vossestaartgras op de wei waaide? Zag Jack het verschil tussen een leeuwerik en een zwaluw hoog in de wolken?
Natuurlijk zag hij dat, zei Jack. Dat zag toch iedereen, aan de manier waarop de vogels met hun vleugels fladderden.
‘Nee hoor,’ zei de bard. ‘Heel weinig mensen kijken verder dan hun neus lang is. Nog een stukje kaas?’
Jack at meer dan hem toekwam en voelde zich daar een beetje schuldig over. Hij kreeg zelden genoeg om zijn maag te vullen.
‘Volgens mij ben je geen totale tijdverspilling,’ zei de bard. ‘Ga nu niet meteen naast je schoenen lopen, jongen. Voor hetzelfde geld ben je een gedeeltelijke tijdverspilling. Zou je mijn leerling willen worden?’
Jack gaapte hem aan. Zijn hersenen konden de betekenis van die woorden niet vatten. Hij had nog nooit van een leerling-bard gehoord.
‘Dat is de eerste gewoonte die je moeten afleren,’ zei de oude man met een zucht. ‘Je moet een intelligente indruk maken, ook als je het niet bent. En nu wegwezen jij. Ik praat later wel met je vader.’