| Fragment uit Medicijnmeester
van Bené Alfonso
‘Wat moet een advocaat als Ãofonso
van een veldneger als ik?’ vroeg hij die avond aan zijn opa.
Opa stopte een pijpje.
‘Hij trok altijd erg naar je toe,’ antwoordde hij.
‘Ik hoor het morgen wel,’ zuchtte Dilson. ‘Ik ben blij
dat ik morgenochtend het riet niet in hoef. Het loofbranden gaat beginnen.’
‘Je bent ook geen veldneger,’ mopperde opa. ‘Je kunt
lezen en schrijven. Je hoort bij de huisnegers te werken. Ik begrijp niet
waarom de oude baron jou in het veld houdt.’
Dilson rolde grove tabakssnippers in een tabaksblad tot een ruwe sigaar.
Hij begreep best waarom de oude baron hem niet in het huis of bij de administratie
wilde hebben: die witten hadden een hekel aan opa’s praktijken.
Opa had iets wat uit Afrika kwam: een ketting van kralen, schelpen, rare
tanden en een urubuschedel, maar ook dingen waarvan de blanken het bestaan
alleen maar vermoedden. Hij bewaarde ze bij zijn babaloríxa-attributen
op een geheime plek. Geen mens wist precies hoe oud al die spullen waren,
maar opa had ze van zijn opa en die weer van zijn vader, en die had ze
weer van zijn grootvader die een kleinzoon was van de eerste babaloríxa,
die eigenlijk een koning was uit Afrika. Dat was zo lang geleden dat niemand
zeker wist of het verhaal echt waar was, of verzonnen, of een beetje waar
en een beetje verzonnen. Een witte pater van lang geleden had geprobeerd
die eerste babaloríxa te bekeren, maar toen was hij zelf babaloríxa
geworden. Volgens het verhaal althans.
Maar iets van dat verhaal moest in elk geval waar zijn, want toen jaren
geleden de oude houten kapel van Praia Branca plaats moest maken voor
een grotere, vonden de gezanten van de bisschop van Bahia duivelse houten
beeldjes onder de heiligenbeelden. Toen ze die wilden verbranden brak
er, volgens hetzelfde verhaal, zo’n heftig noodweer los dat het
vuur erdoor werd geblust en toen ze ze in het bakhuis gingen verbranden
waren de vlammen zo heet dat de vuurvaste stenen van de oven scheurden
en de schoorsteen instortte, waarna het hele bakhuis afbrandde zodat het
weken duurde voor er weer brood werd gebakken in Praia Branca; tenminste,
zo wilde het verhaal het.
Ãofonso was naar de universiteit gegaan, en bij Dilson waren de
dromen begonnen. Dromen die opa ook gedroomd had, over een boot en over
water dat van alle kanten kwam. In een van die dromen kwam een lied voor
over een reis op de vleugels van de wind. Het lied had met Afrika te maken,
met de landen daar, waar alle negers vandaan kwamen.
Toen was opa met Dilsons opleiding begonnen. Zijn lessen duurden zeven
jaar, en alles ging in het geheim. Dilson dacht er nog dikwijls aan hoe
moeilijk het in het begin was. Overdag moest hij vasten; in de eerste
zeven weken mocht hij overdag zelfs geen water drinken, ook niet tijdens
het veldwerk. Hij mocht geen plezier maken met de meisjes, zoals de andere
jongens; hij mocht zelfs niet naar ze kijken. Als ze probeerden hem op
andere gedachten te brengen moest hij verzet bieden, en hij wist best
hoe ze naar hem keken, als ze hem in zijn strakke kniebroek en bloot bovenlijf
aan het werk zagen.
Ze dachten dat hij te verlegen was om mee te gaan naar de plekjes achter
de rietvelden, waar het gras hoog was, kruidig en zacht. Ze fluisterden
hem zachte woordjes toe, ze draaiden met hun heupen als ze langs hem liepen,
streelden over zijn brede schouders en zijn sterke armen als ze met hem
praatten.
Bitter herinnerde hij zich de roddels dat hij naar jongens loerde. Zeven
jaar lang. Alleen omdat hij de kleinzoon van de babaloríxa was
bleef het bij schelden, maar het deed hem enorm pijn als ze hem jongetjesman
noemden.
Opa leerde hem kruiden herkennen en kwalen behandelen. Prachtige momenten
waren het als opa en hij ’s nachts op het strand mediteerden bij
de plek waar de eerste babaloríxa moest liggen. Opa leerde hem
de taal uit het land Ketu in Afrika. Oude verhalen, namen van voorouders,
goden, oríxa’s en dwalende geesten. Zeven jaar lang.
Een maand geleden was hij klaar. Dilson zou die dag nooit vergeten. De
halsketting was zijn beloning geweest. Opa liet de trommels roffelen;
de vrouwen die gewoonlijk hielpen bij bevallingen dansten. Tegen de baron
hadden ze gezegd dat ze de aarde gingen aanstampen om er een hut overheen
te kunnen bouwen. Opa kuste hem op zijn voorhoofd en hing het sieraad
om zijn hals. De mannen die hem hadden uitgescholden, kwamen zich verontschuldigen.
Dilson stak zijn sigaartje aan. Pai Dilson was hij, de kersverse hulpbabaloríxa,
opgeleid door zijn eigen grootvader, opvolger in rechte lijn van de eerste
babaloríxa die koning was geweest. Een koning die uit Afrika was
gekomen op de vleugels van de wind. |