| Fragment uit Het
midden van de wereld van Andreas Steinhöfel
Pas tegen middernacht barst het onweer los dat
aan het begin van de middag kwam opzetten en sindsdien besluiteloos en
loodzwaar over de stad lag. Ik heb het licht in mijn kamer uitgedaan en
sta voor het open raam naar de regen te luisteren die kletterend het stof
van de bomen spoelt, en de zwoele warmte uit de lucht. Ook Visible lijkt
te herademen, het is alsof er een opgelucht gefluister door het huis gaat.
Ik krimp ineen als vlak voor de deur van mijn kamer de vloerplanken kraken.
Buiten licht de hemel spookachtig op, secondenlang verleent het onwerkelijke
schijnsel elke boom, elk dak aan de andere kant van de rivier nieuwe,
scherpe contouren.
Ergens daar aan de overkant woont Nicholas. Vanochtend, voordat hij op
de achterste rij van de klas ging zitten, waar hij met ver uitgestrekte
benen tot het eind van de wiskundeles ongeïnteresseerd uit het raam
keek, is zijn blik alleen even langs me gegleden. Maar dat was genoeg
om mijn hart te laten overslaan. Ik weet zeker dat Nicholas me niet herkend
heeft. We zijn allebei veranderd sinds die winter vijf jaar geleden. Zijn
schouders zijn breder geworden, zijn gezicht is hoekiger en hij draagt
zijn zwarte haar langer dan toen. Alleen zijn ogen zijn nog precies zoals
ik me herinner: levendig, ondoorgrondelijk en verontrustend donker.
Ik heb even met de gedachte gespeeld Kat te vertellen dat ik de nieuwe
ken, dat ik hem jaren geleden al eens heb gezien en dat die ontmoeting
een diepe indruk op me heeft gemaakt. Zo diep dat ik er in de loop der
jaren te pas en te onpas telkens weer aan heb gedacht. Maar het vernietigende
oordeel dat Kat in de pauze over Nicholas velde, zorgde ervoor dat ik
voor de zekerheid voorlopig mijn mond hield.
‘Hij is een poseur.’
‘Wat?’
‘Een poseur. Hij doet alsof hij een eenzame cowboy is, vanbuiten
hard en vanbinnen gevoelig. Maar in werkelijkheid is hij vanbuiten week
en vanbinnen saai. Geloof me, ik ken dat type. Thomas is precies zo. Die
kun je schrappen.’
‘Zou het kunnen dat je pissig bent omdat je je vergist hebt? Omdat
je kompasje de verkeerde richting heeft aangegeven?’
‘Kan best.’
Het klonk bijna woedend. Ik zweeg en voelde me een verrader, omdat ik
Kats afkeer van de nieuwe niet kon of wilde delen. Ik vertelde haar niet
dat ik Nicholas aantrekkelijk vind, dat zijn zwijgzaamheid me eerder aantrekt
dan afstoot. Kat mag hem schrappen, maar ik wil alle mogelijkheden openhouden.
Ik wil hem leren kennen. Het moet. Hoe langer ik naar het langzaam wegtrekkende
onweer staar, hoe zekerder mijn besluit wordt. Het wordt gevoed door het
gevoel dat de nieuwe me iets schuldig is. Het is alsof hij mij –
alsof wij elkaar – toen in de winterkou een belofte hebben
gedaan die ik met een stukgebeten onderlip en bloed heb bezegeld en die
we allebei nog moeten inlossen.
|