Fragment uit Midden in de winternacht van Andreas Steinhöfel

Meneer Eland landt

Op de avond van de derde zondag van de advent stortte meneer Eland neer op ons huis aan de Vinkenbosweg. In de adventstijd wordt er bij ons gezongen en muziek gemaakt, dus waren we in de woonkamer: Kiki zat aan de piano, mama speelde blokfluit en ik was de zanger. Ik heb een heel mooie jongenssopraan.
Het rook naar de sinaasappelschillen die mama op de verwarming had gelegd. In de ruiten weerspiegelde zich warm kaarslicht en buiten zweefden stil en zacht sneeuwvlokken omlaag. Ik begon al echt in de kerststemming te raken.
‘Nu zijt wellekome, Jesu lieve Heer,’ zong ik.
Mama nam de blokfluit uit haar mond en jubelde vrolijk mee: ‘Gij komt van al zo hoge, van al zo veer!’
Maar het was Jezus niet die uit de hemel kwam. Het was meneer Eland. Er klonk een oorverdovend gekraak en meteen daarna viel hij dwars door het plafond van de kamer. Of eigenlijk viel hij eerst door het dak van het huis en daarna door het plafond. De vloer onder onze voeten trilde. Ik hoorde mama en Kiki gillen.
In een regen van bakstenen en dakpannen landde er een groot bruin ding boven op Sören en veranderde hem in brandhout. Sören was onze salontafel van IKEA. De adventskrans en de kokoskoekjes die erop stonden, werden ook geplet.
Van de kokoskoekjes vond ik dat niet zo erg. Oma had ze gebakken en per post opgestuurd, en zoals altijd waren ze aangebrand. Elk jaar gebruikt mama ze tot vlak voor kerstavond als versiering, daarna voeren Kiki en ik de koekjes in het park aan de eenden. Als oma met kerst komt logeren, moeten we zeggen dat ze heel lekker waren. Ik hou niet van liegen, maar we moeten ook aan de eenden denken.
‘Lieve hemel, wat is dat?’ fluisterde mama toen het stof was gaan liggen.
Het grote bruine ding lag onbeweeglijk tussen het puin, de versplinterde resten van Sören en de koekkruimels. Het had een gewei en vier lange poten, die in alle windrichtingen wezen.
‘Het is een eland,’ zei Kiki. ‘Een mannetje.’
Dat had ze weer fijn voor elkaar. Ze had bewezen dat we ook in noodsituaties op haar algemene ontwikkeling konden vertrouwen. Waarschijnlijk zou ze daarvoor een extra kerstcadeau krijgen. Als je een oudere zus hebt, kan het leven heel oneerlijk zijn.
Het leek of het gewei van de eland bekleed was met zacht fluweel. Het voelde tegelijk koud en warm aan.
‘Bertil Wagner, blijf met je handen van dat beest af!’ zei mama streng.
Ik trok mijn hand terug. Mama was bang voor vlooien en luizen. Daarom mocht ik ook geen hond hebben.
‘Hoe weet je dat het een mannetje is?’ vroeg ze aan Kiki.
‘Vrouwtjeselanden hebben geen gewei,’ legde mijn zus uit.
‘O ja,’ zei mama, en ze knikte. ‘Natuurlijk.’
Natuurlijk! Het was maar goed dat Gerlinde Wolters dat niet had gehoord. Zij is onze buurvrouw, en sinds mama gescheiden is van papa, ook haar beste vriendin. Elke donderdag gaat ze naar de vrouwenpraatgroep om voor de emancipatie te strijden.
Mama keek omhoog naar het grote, donkere gat in het plafond. Van de randen regende nog steeds kalk omlaag. ‘Kunnen elanden vliegen?’ vroeg ze argwanend.
‘Nee,’ zei Kiki, ‘en ook niet bergbeklimmen, duiken of tennissen. En praten kunnen ze ook niet.’
Alsof hij daarop had gewacht, opende de eland zijn ogen. ‘Onzin, meisje!’ bromde hij. ‘Ik spreek vijf talen vloeiend.’
‘Nou ja,’ antwoordde Kiki, niet onder de indruk, ‘maar u hebt wel een Amerikaans accent!’ Ze wil altijd het laatste woord hebben.
Mama bleef stokstijf staan, alsof ze haar blokfluit had ingeslikt. Haar mond ging open en weer dicht. Ze was er gewoon niet aan gewend dat er pratende elanden op haar huis vielen.
‘Ik ben meneer Eland,’ stelde de eland zich voor. Zijn stem was net zo zacht als zijn gewei. ‘Uit de familie van de herten.’
Hij krabbelde overeind en werd groter en groter. Mijn hoofd kwam maar net tot aan zijn hals, waaraan een dikke haarpluk hing, als een soort baard.
‘Herten zijn herkauwers die elk jaar hun gewei wisselen,’ legde Kiki uit zonder dat iemand haar iets had gevraagd.
‘Natuurlijk,’ zei mama weer.
‘Net als rendieren bijvoorbeeld,’ voegde Kiki eraan toe.
‘Natuurlijk,’ zei mama voor de derde keer.
Meneer Eland kromp ineen en trok zijn kop in. ‘Is een van die beesten hier?’ brieste hij luid.
‘Natuurlijk niet!’ zei mama. ‘Kunt u ons nu misschien vertellen hoe u hier terecht bent gekomen?’
Ik bewonderde haar. Ze was zelfs beleefd tegen gasten die haar woonkamer in een puinhoop veranderd hadden en Sören om zeep hadden geholpen.
‘Ik ben neergestort,’ antwoordde meneer Eland. ‘Boven Ierland ben ik uit de bocht gevlogen.’
‘Vloog u boven Ierland?’
‘Ons eigenlijke reisdoel was Scandinavië. Het ongeluk gebeurde in de bocht.’
‘Van Ierland naar hier is een heel eind.’
‘Het komt door de middelpuntvliedende kracht,’ bemoeide Kiki zich ermee. ‘Hij ging waarschijnlijk erg hard.’
Ik schaamde me gewoon omdat ze zo opschepte met haar kennis. Mama vroeg of ze haar fototoestel wilde halen om foto’s te maken van meneer Eland en de plaats waar hij was neergestort, voor de verzekering.
‘Ik vind het heel vervelend om zo’n knappe dame op het dak te vallen, mevrouw,’ zei meneer Eland beleefd. ‘De baas zal de schade natuurlijk vergoeden.’
De baas?
Het was lang geleden dat iemand mama een compliment had gemaakt. Misschien had ze daardoor de laatste zin niet gehoord.
‘Ach, het is maar een gat in het plafond en in het dak,’ zei ze. Ze bloosde verlegen. ‘Maar het begint wel een beetje koud te worden.’
Door de gaten dwarrelden honderden sneeuwvlokken op ons neer. Op de foto’s die Kiki die avond van ons heeft gemaakt, is dat een heel mooi gezicht.
Toen het filmpje vol was, besloot mama dat de gaten afgedekt moesten worden voordat we helemaal insneeuwden.
‘Ik zou u graag helpen bij het repareren,’ bood meneer Eland aan. ‘Maar ik vrees dat ik mijn linkervoorpoot heb verstuikt.’
Dat was echt iets voor mama! Ze vindt het heerlijk als iemand ziek of gewond is. Als het aan haar lag, had ik drie keer per jaar waterpokken of de bof.
‘Tot u weer beter bent, blijft u bij ons in de garage wonen,’ zei ze tegen meneer Eland. Sinds papa bij de scheiding de auto had gekregen, stond de garage leeg. ‘En straks maak ik een koude omslag voor uw poot.’
Ik was jaloers op Kiki, die de hinkende meneer Eland naar buiten mocht brengen, terwijl ik met mama naar die stomme zolder moest.
We legden planken over het gat in het plafond van de woonkamer en spijkerden een dik plastic zeil onder het gat in het dak.
‘Mag meneer Eland bij ons blijven?’ vroeg ik.
‘In elk geval tot zijn enkel genezen is,’ zei mama. ‘Dan zien we wel weer.’
Papa heeft eens gezegd dat je geen slechte dingen mag wensen. Maar terwijl ik een spijker door het zeil sloeg, wenste ik dat de enkel van meneer Eland zo langzaam mogelijk zou genezen.

Die avond gingen we allemaal laat naar bed.
Hoewel ik heel moe was, kon ik niet in slaap komen. Op zolder klapperde het zeil zacht in de koude wind. Toen ik zeker wist dat mama en Kiki sliepen, pakte ik mijn zaklantaarn, trok mijn jas en mijn laarzen aan en liep door de besneeuwde tuin naar de garage.
Meneer Eland was ook nog wakker. Hij knipperde met zijn ogen in het licht van de zaklantaarn. Om zijn linkervoorpoot waren drie handdoeken gewikkeld.
‘Ik heb een vraag, meneer Eland,’ zei ik.
‘Die zal ik beantwoorden, jongen, als je me eerst achter mijn rechteroor krabbelt,’ zei hij.
Zijn oren waren groter dan mijn handen, en de vacht erachter was warm en zacht. Hij rook een beetje naar de dierentuin, of naar een paardenstal.
Meneer Eland kreunde van genot. ‘Waar is je vader?’ vroeg hij na een tijdje.
‘Ik weet het niet. Gerlinde Wolters zei dat hij naar de maan kon lopen.’
‘Dat is een eind weg. Mis je hem?’
Als ik aan papa dacht, kreeg ik een rare kramp in mijn buik en werd ik duizelig. Het was geen fijn gevoel. Ik wilde er niet over praten.
‘Meneer Eland,’ zei ik, ‘wie is “de baas”?’
‘De baas...’ mompelde meneer Eland. Hij hinkte langs me heen naar de garagedeur en staarde naar de donkere winterhemel. ‘Heb ik dat nog niet verteld? De baas... dat is natuurlijk Santa Claus.’
‘Wie?’ vroeg ik.
‘Santa Claus,’ herhaalde meneer Eland. Hij draaide zich naar me om, zodat ik hem recht in zijn mooie bruine ogen kon kijken. ‘Dat is zijn Amerikaanse naam. Jullie noemen hem de kerstman.’