Fragment uit Schaap en Geit van Marleen Westera

Familie

Geit ziet het meteen: Schaap is sikkeneurig.
‘Wat is er?’ vraagt Geit.
‘Niks,’ zegt Schaap knorrig.
‘Dan niet,’ zegt Geit.
Schaap trekt een pluk gras af. Ze staat traag te smakken en staart in de verte.
Geit maakt een huppel. Ze hapt in een paardebloem.
‘Ik mis mijn familie,’ piept Schaap ineens schor voor zich uit. ‘Ze zijn zo ver weg. En zíj zijn met z’n allen. En ik ben hier maar in mijn eentje.’
‘Je hebt mij toch,’ zegt Geit, kauwend op een hele dot gras.
‘Dat is anders,’ zegt Schaap. ‘Jij bent geen familie.’
‘Nee,’ zegt Geit. ‘Ik ben Geit.’

Schaap tuurt voor zich uit in het niets. Ze vergeet helemaal te grazen.
Geit graast voor twee. Ze weet niks meer te zeggen.
Schaap loopt naar een hoek van de wei.
Ze kijkt naar de wolken.
Ze maakt wat geluidjes...
Schaap staat iets te zeggen. Gewoon tegen niemand.

Geit sluipt dichterbij.
‘Lieve familie,’ prevelt Schaap met haar kop in de wind.
‘Hoe gaat het met jullie? Met mij gaat het vrij goed.
Ik woon hier met Geit. Dat is te doen.
Maar het kon leuker.’
Opeens moet Geit slikken.
Schaap zegt even niks. Dan richt ze haar kop weer op en fluistert verder:
‘Ik mis jullie soms. Bijvoorbeeld vandaag. Maar meestal niet, eigenlijk.’
Schaap steekt haar neus in het gras en begint smakelijk te eten.

Vlug springt Geit weg, bij Schaap vandaan.
Haar honger is over.
Ze slentert wat rond. Ze blijft bij Schaap uit de buurt.

De middag gaat langzaam.
De zon blijft maar warm.
Opeens voelt Geit iets nats tegen haar poten.
Ze kijkt naar beneden. Aan haar voeten zit Kikker.
‘Heb je Schaap ook gezien?’ vraagt Kikker.
‘Schaap is daar,’ wijst Geit. ‘Aan de rand van de wei.’
Kikker springt weg, de kant van Schaap op. In een paar sprongen is hij bij haar.
Schaap kijkt verbaasd op.
Kikker begint tegen Schaap te kwaken.
Geit spitst haar oren. Vlug gaat ze in de buurt van Schaap staan kauwen.
‘Je familie woont achter de sloot,’ kwaakt Kikker. ‘Ze hebben een wei met z’n achten. Hun gras is wat droog en vertrapt.’
Schaap luistert aandachtig naar Kikker.
‘Ze zijn behoorlijk gelukkig. Maar ik hoor ze ook vaak klagen. Ze klagen dat het saai is, met alleen maar schapen in een wei. Ze zouden er wel een geit bij willen, zeggen ze.’
‘Een geit?’ vraagt Schaap verbaasd.
‘Ja. Maar dat wil hun boer niet. Ze missen jou ook wel eens, Schaap. Maar ze vergeten ook vaak je te missen.’
Kikker kijkt Schaap doordringend aan.
‘Ze vergeten het erg vaak. Tabé, Schaap.’
Met twee sprongen verdwijnt Kikker tussen het hoge gras achter het hek.
Schaap blijft verbluft achter.
Geit komt vlak voor haar poten staan.
‘Wat zei hij?’ vraagt Geit.
‘Mijn familie vergeet me te missen,’ zegt Schaap met op elkaar geklemde kaken. ‘Ze willen een geit.’
Schaap neemt een enorme hap gras.
‘Ze willen een geit?’ vraagt Geit met een glans in haar ogen. ‘En krijgen ze ook een geit?’
‘Nee. Ze krijgen geen geit.’
‘Ach ja...’ zucht Geit. ‘Dat geluk is maar een enkel schaap gegeven.’