Fragment uit Superhero van Martine Leavitt


Maandag 2 mei
Vraag: hoe red je een moeder uit hypertijd?
Antwoord: daarvoor moet je een superheld zijn.

Heck was geen superheld, en als hij dat wel was, dan was hij beslist in zijn platte stadium, het stadium van geen-rondingen-geen-leven-dood-op-papier. Oké, zo begonnen alle superhelden. Dat stond in zijn boek Zo teken je superhelden. Voordat je het kostuum en de spieren tekent, voordat je de figuur vorm geeft en uitwerkt, heb je een draadmannetje, plat op papier, levenloos. En op dit moment voelde Heck zich een draadmannetje, zo plat dat hij zich afvroeg hoe het hem lukte niet tussen de latten door te floepen van de bank in het winkelcentrum waarop hij zat. Dat kreeg je met kiespijn. Kiespijn, geen ontbijt en geen lunch gehad, en niet weten waar je moeder de afgelopen nacht heeft uitgehangen.
Hij wist waar de Pepper Bar was, waar zijn moeder werkte. Na schooltijd zou hij daarheen gaan. Met haar praten. ‘Maak je geen zorgen, mam,’ zou hij zeggen, ‘alles is in orde. Alles komt goed.’
Heck haalde het briefje van twintig dollar te voorschijn en streek het glad op zijn knie. Hij was bijna verbaasd geweest dat het nog in zijn zak zat toen hij die ochtend in de auto van meneer Hill wakker werd.
Gestolen. Van zijn beste vriend, Spence. Platter dan dat kon je niet worden. Daarvóór had hij nog nooit iets gestolen. Je kon geen dief en superheld tegelijk zijn.
Waarom had hij het gepakt? Het zou wel door zijn moeders stem zijn gekomen, toen ze hem gisteren opbelde bij Spence thuis. ‘Ze hebben ons buitengesloten, Heck. Vraag maar of je een paar dagen mag blijven logeren, oké? Ik moet een paar dingen regelen,’ had ze gezegd.
Heck zei niks. Geen ‘nee’. Geen ‘vraag jij dat maar’. Geen ‘oké, best’. Gewoon niks. Alles wat hij wilde zeggen, stond in een tekstballon boven zijn hoofd, maar door de telefoon kon ze geen ballonnetjes lezen.
‘Dank je wel, Heck,’ zei ze tegen zijn stilte. ‘Dank je wel, lieverd. Ik bel je gauw, ja? Je bent mijn held.’ Ze hing op.
‘Wat?’ vroeg Spence, die hem strak aankeek.
‘Niks…’ Ze hadden enveloppen gekregen van meneer Grenhold, de huisbaas, maar zijn moeder had ze gewoon op de stapel rekeningen gelegd en er niet meer naar omgekeken. Heck wist dat het huuropzeggingen waren. Hij wilde het alleen niet weten.
Spences moeder was opgehouden met aardappelen schillen – ze was altijd iets aan het schillen – en keek Heck scherp aan. Het ballonnetje boven zijn hoofd knapte en hij voelde letters als regen op hem neervallen.
‘Niks,’ zei hij weer.
‘Nou, laten we dan maar weer doorspelen,’ zei Spence.
‘Wat is er, Heck?’ vroeg mevrouw Carter.
Nou komt het, dacht hij.
‘Je weet toch dat je ons alles kunt vertellen.’
Hecks moeder wilde dat hij daar bleef logeren, maar ze zou niet willen dat ze iets van haar problemen wisten.
‘Niks aan de hand,’ zei Heck, ook al had hij dat zware gevoel in zijn maag alsof zijn hart er zojuist in was gevallen en zijn linkerhartkamer langzaam werd verteerd.
Mevrouw Carter keek hem even aan. Heck plakte een glimlach op zijn gezicht en ze ging weer verder met schillen.
Spence en hij gingen door met hun videospelletjes, maar Heck bracht er niet veel van terecht.
‘Ik word eindelijk beter dan jij, geloof ik,’ zei Spence blij. ‘Je laat me toch niet winnen, hè? Dit is toch niet zo’n geschifte Goede Daad van je of zo, hè? Want anders…’
‘Nee,’ zei Heck. Zo nonchalant als hij kon, vroeg hij: ‘Denk je dat ik vannacht weer mag blijven slapen van je vader en moeder?’
‘Nee, zondag vinden ze een schoolavond,’ zei Spence. Met een tik op de knop deelde zijn videospelpersonage de genadeklap uit. Spence juichte. ‘Yes! Eindelijk versla ik je eens!’
Die avond had Spences vader Heck net als anders voor het flatgebouw afgezet. Voor hij uit de auto stapte overwoog Heck heel even het te vertellen, maar hij kon het niet. Als het eens méér dan een paar dagen werd? Zijn moeder had nu eenmaal een probleempje met tijd – zij en tijd konden niet met elkaar overweg.
Hij had die klank in haar stem herkend, die zei: ‘Ik ben in hypertijd en ik weet niet wanneer ik terugkom.’ Haar vriendin Dierdre noemde het depressie.
Maar uit de comics die hij las, wist Heck dat hypertijd een brug was naar parallelle werkelijkheden. Zo was het mogelijk dat Superman in de ene comic dood was en in de volgende weer leefde. Het was allebei waar, elk in zijn eigen tijd en werkelijkheid. Het betekende dat hij een moeder kon hebben die de beste moeder was die een kind zich maar kon wensen en het soort moeder over wie de kinderbescherming een dossier had. Toen hij gisteravond haar stem hoorde, wist hij het. Ze had het gevoel dat ze niet op kon tegen dit microversum vol kwade huisbazen die sloten veranderden en haar uit haar appartement zetten.
De vorige keer dat ze in hypertijd verdween, was toen hij van de juffrouw op school een briefje meekreeg waarin stond dat hij geen geschikte jas had en of ze daar alsjeblieft iets aan wilde doen. Zijn moeder liep de woonkamer in, ging op de bank zitten, zette de tv aan en deed een week lang helemaal niets. Het enige dat Heck van haar gedaan kreeg was dat ze thee dronk en crackers met kaas at.
Heck Superhero, verloren en verlaten in de wereld der stervelingen, zonder zijn superpak en de symbolen van zijn kracht…
Heck ging rechtop zitten en keek het winkelcentrum rond. Niemand keek naar hem, maar hij kon de stem van meneer Bandras bijna horen: ‘Weer aan het dagdromen, Heck? Daar is een geschikte plaats en tijd voor, en dat is niet hier en nu.’
Heck moest toegeven dat het nu geen goed moment was om te zitten dagdromen. Niet nu ze hun huis kwijt waren terwijl zijn map met al zijn tekeningen van dit semester daarbinnen achter slot en grendel lag, en nu bacteriën zich door zijn kiezen heen omlaag groeven, zijn kaakbeen in. Hij moest in dit microversum blijven en voor zijn moeder zorgen. Plat of niet, hij moest haar snel vinden. Hij moest haar uit hypertijd krijgen, ervoor zorgen dat ze geen rare dingen ging denken zoals dat hij zonder haar beter af was of zo. Hij moest met haar praten vóór ze als een dor blaadje zomaar deze dimensie uit zweefde.
Hij moest nadenken, een plan maken, een goed plan, een slim plan – een superplan…
Er was altijd nog zoiets als de Goede Daad.
Natuurlijk was die slechte daad die nog in zijn zak zat er ook nog om over te piekeren.
Een verrukkelijke geur, afkomstig van de horeca-afdeling van het winkelcentrum, zweefde zijn neusgaten binnen. Hij had honger.
Hij had wel vaker honger gehad, maar niet zo erg als nu. Het voelde alsof hij binnenstebuiten was gekeerd, alsof zijn maag aan de buitenkant zat en zijn gezicht aan de binnenkant. Hij had zoveel honger dat zijn maag de baas werd over zijn hersenen en zijn handen en zijn voeten. Als je geen superheld was, kon zoveel honger je ertoe brengen het geld uit te geven dat je van je beste vriend had gestolen…
Heck voelde aan het twintigje in zijn zak. Hij keek om zich heen. Niemand van de mensen die langsliepen scheen te kunnen zien dat hij gestolen goederen verborg. Hij dacht erover Spence te bellen. ‘Hé, raad eens wat ik opeens in mijn zak vond?’ zou hij zeggen. ‘Mis jij soms een briefje van twintig? Raar, hè? Hoe kan dat nou gebeurd zijn? Ik kom er meteen aan.’ Zou dat een Goede Daad zijn? Nee, alleen het uitwissen van een slechte daad, door hem onder te brengen in de categorie ‘iets goeds doen nadat je iets verkeerds hebt gedaan.’
Er klonk een mededeling uit de intercom van het winkelcentrum: ‘Er is een meisje zoek. Ze draagt een donkerblauwe wollen jas en zwarte schoenen…’ Heck vroeg zich af of er ook een intercom voor de hele stad was die kon verkondigen: ‘Attentie, platte superheld zoekt klein appartement waar geen referenties voor nodig zijn…’
Hij stond op het punt het twintigje weer uit zijn zak te halen toen er een vrouw langsliep. Ze was oud en had wit haar, echt het soort dame voor wie je een Goede Daad zou willen doen als je een superheld was. Hij glimlachte en zei: ‘Goedemiddag.’
Ze glimlachte terug en wierp iets in de afvalbak naast hem. Iets wat met zachte, sandwichachtige zwaarte op het afval landde. Heck wachtte tot ze ver genoeg weg was en keek toen in de bak.
Eiersalade. Een hele halve sandwich, waar nog geen hapje van genomen was. Heck pakte hem eruit en nam een hap.
Eiersalade. De sandwich eiersalade was vast het lekkerste voedsel dat ooit door mensen bedacht was. Hij was een wonder, een mirakel, de sandwich eiersalade, en geen enkele technologische vooruitgang zou deze topprestatie ooit evenaren. Hecks brein maakte een kniebuiging voor het genie dat het brood had uitgevonden, wie dat ook mocht zijn. Raar dat ze dat bij wereldoriëntatie nooit hadden geleerd. Er hoorde toch minstens één les te worden besteed aan het meesterbrein dat het brood had uitgevonden. En wat te denken van de persoon die de eerste portie mayonaise maakte? Waarom stond daar nergens een standbeeld van?
De Goede Daad. Het werkte nog steeds voor hem. Alleen maar een glimlach en een goedemiddag tegen een oude dame en – eiersalade! Maar nu hij een beetje eiersalade in zijn lichaam had, was één ding duidelijk: geen enkele Goede Daad was goed genoeg om hem te helpen zijn moeder te vinden vóór hij de slechte daad had rechtgezet. Hij moest dat briefje van twintig teruggeven en het aan Spence opbiechten.
Zijn huid werd een en al kippenvel van genot terwijl hij de laatste hap opat.
Nu kon hij nadenken.
Spence zou nu wel thuis zijn van school, en zich afvragen waarom Heck er vandaag niet was geweest.
Hij kon niet naar school. Hij had zijn boeken niet. Die lagen achter slot en grendel in het appartement. Hij had geen pen of papier of lunch of douche of deodorant of tandenborstel, dingen die onmisbaar waren om naar school te kunnen. En vooral: hij had zijn map met tekeningen niet, zijn werk van dit semester, die vrijdag ingeleverd moest worden. Hij zag al voor zich hoe meneer Bandras zou kijken als hij hem vertelde dat zijn hond vijf kilo papier en verf had opgegeten.
Meneer Bandras zou hem doorhebben. ‘Jullie hebben geen hond,’ zou hij zeggen. Hij zou vragen stellen. Hij kon ze op school beter laten denken dat hij in quarantaine was vanwege roodvonk of zoiets. Bovendien was het niet erg om een dag school te missen, zeker niet als ze je daar niet eens iets leerden over de uitvinding van de sandwich eiersalade. Hij durfde te wedden dat mevrouw Bandras een steengoeie sandwich eiersalade kon maken.
Hij haalde zijn kleingeld uit zijn zak. Zijn moeder zorgde er altijd voor dat hij genoeg had om haar te bellen op een munttelefoon – in geval van nood, zei ze. Hij liep een paar keer om de telefoon heen. Ook al waren ze moleculair verbonden, toch was het soms lastig te voorspellen hoe Spence zou reageren. Heck herinnerde zich nog de dag waarop Spence en hij door een superbreinversmelting moleculair werden verbonden. Zo noemde Spence het niet. Die zei: ‘Het is gewoon eng zoals wij elkaar aanvoelen.’
Heck pakte de hoorn op en legde hem weer neer.
De eiersalade had zich in de gaten in zijn kiezen genesteld en was zich nu tot een schuimend, brandend zuur aan het bubbelen. Als hij een supergehoor had, zou hij het glazuur kunnen horen bruisen terwijl het werd weggevreten. Hij moest zijn mond dichthouden. Door de airconditioning in het winkelcentrum voelde de lucht koud als ijswater tegen zijn tanden en kiezen. De blootliggende wortels begonnen met hoge stemmetjes te krijsen, nog harder dan de muziek die overal klonk.