Fragment uit Sven
en zijn rat van Marit Nicolaysen
(op schoolreisje naar het riool)
‘Oké, daar gaan we dan. Wie een zaklantaarn heeft gekregen,
mag hem nu aandoen!’
Ik had geen zaklantaarn gekregen omdat ik samen met Trom achteraan was
gekomen. Het was heel erg donker nu Snorre het licht had uitgedaan. De
lichtbundels van de zaklantaarns schenen alle kanten op. Het was koud
en het stonk nog steeds als een bunzing.
Eerst was iedereen heel stil, maar toen begon er iemand te schreeuwen.
Algauw schreeuwde iedereen door elkaar en het was een lawaai van jewelste.
Die akoestiek waar Snorre het over had gehad, was inderdaad geweldig.
Het weergalmde tussen de muren.
‘Voel je die druppels?’
Dan pakte me bij m’n arm. De wanden waren glibberig en vochtig.
We stonden doodstil. Er gebeurde niets. Toen deden we een paar stappen
naar voren. We stonden stil en wachtten. Ja. Ik voelde duidelijk een druppel
op mijn hoofd.
‘Denk je dat het pies is?’ fluisterde Dan.
Hij had een zaklantaarn en hij scheen op het plafond om te kijken waar
die druppels vandaan kwamen.
‘Hou op, viezerik,’ zei ik.
Maar ik was niet zo zeker van mijn zaak. Waar gingen die buizen ook alweer
naartoe? Misschien was er overal om ons heen pies en poep. Stel je eens
voor dat het nou bleef druppelen en stromen en dat de wanden open zouden
barsten en alles over ons heen zou stromen?
Ik rilde. Ik pakte Dan beet.
‘Stel je eens voor dat…’
Ik kon mijn zin niet afmaken. Dan keek me aan. Hij zag eruit alsof hij
hetzelfde dacht als ik.
We waren een stukje achtergebleven toen we stopten om te kijken waar die
druppels vandaan kwamen. Nu renden we in volle vaart naar beneden en we
riepen: ‘Het is pies! Er stroomt pies van het plafond!’
Een paar van de meisjes begonnen te gillen en te krijsen. Iedereen liep
alle kanten op. Sommigen vielen en riepen om hun moeder.
‘Ik wil eruit,’ gilde Camilla. ‘Ik ga dood! Ik wil eruit!’
‘Ik ook,’ gilde Monica.
Die wilde altijd hetzelfde als Camilla. Dus die telde eigenlijk niet.
Maar nu was Monica niet de enige die hetzelfde wilde als Camilla. Nu wilde
iedereen hetzelfde als Camilla. De jongens ook. Ik ook.
‘Rustig maar,’ zei Snorre.
Maar niemand luisterde naar hem.
‘rustig,’ brulde Snorre.
Toen werd het stil.
‘Er druppelt hier geen pies van het plafond,’ zei hij. ‘Het
is heel normaal dat een tunnel in een berg vochtig is. Het is niet gevaarlijk
en er is niets aan de hand. Denken jullie nou echt dat we een groep kinderen
mee naar beneden zouden nemen als dat ook maar een klein beetje gevaarlijk
was? Denken jullie dat? Denken jullie dat wij gek zijn?’
Wij schudden onze koppen. Onze domme koppen. Bijna iedereen.
‘Zullen we dan nu maar verder gaan?’ vroeg Snorre.
‘Nee! Ik wil écht naar buiten,’ zei Camilla. ‘Anders
val ik flauw.’
‘Ik óók,’ piepte Monica.
Ze stonden met hun armen om elkaar heen.
‘Ik ga wel met ze mee naar buiten,’ zei Kaia, die mee was
om op ons te passen.
Kaia kon heerlijke wafels bakken, van die wafels die je door het hele
bos kon ruiken als je in je kano rondpeddelde. Dan zou je wel willen dat
je je peddels net zo razendsnel kon bewegen als in tekenfilms, zodat je
in een wip bij de vakantieclub op de bank zou zitten schransen. Zulke
wafels bakte ze. Zo iemand was Kaia.
‘Zijn er nog meer die het gevoel hebben dat ze naar buiten moeten?
Het geeft niks als je terug wilt…’
Ik voelde me niet helemaal lekker. Die lucht. Echt héél
smerig. Buiten was het licht. Buiten was frisse lucht. Het was warm, maar
het was wél frisse lucht. Maar ik kon natuurlijk niet met Camilla
en Monica naar buiten gaan. En het zag er niet naar uit dat er nog anderen
terugkrabbelden. En Silje… Die begon verder naar beneden te lopen.
Samen met Helene. En Max.
‘Kom op,’ zei ik tegen Dan.
En zo liepen we in het licht van Dans zaklantaarn naar beneden.
Na een hele tijd lopen kwamen we beneden. Snorre verzamelde de zaklantaarns
en deed het licht weer aan.
‘Nu zijn we zeventien meter onder de zeespiegel,’ zei hij.
We stonden in een kring om hem heen.
‘Zijn we onder water?’ vroeg Dan. ‘Dan wil ik ook naar
buiten!’
Hij zag behoorlijk grauw. Bijna net zo grauw als de muren om ons heen.
Hij zag eruit alsof hij het liefst direct naar buiten wilde sprinten.
Een paar anderen begonnen onrustig heen en weer te schuifelen. Mijn benen
begonnen ook een beetje te kriebelen. ‘Nu moet je je even kalm houden,’
zei Trom.
Hij keek Dan streng aan. ‘Jij zorgt ervoor dat iedereen hysterisch
wordt. Het water kan hier niet binnenkomen. Het is hier volkomen dicht.
Anders zou er niets werken. Dat begrijp je toch wel? Er komt hier echt
geen water binnen, ook al zijn we beneden de zeespiegel!’
Maar dat was nou net het probleem. Er kwam wél water binnen. In
de pompruimte kwam het water binnen. Snorre deed een groene, ijzeren deur
open. Op weg naar beneden had het de hele tijd al ontzettend gestonken,
maar toen hij die deur opendeed, toen viel ik bijna achterover. Het prikte
in je neus. Het brandde in je ogen. Ik hapte naar adem. Ik greep Dan vast.
‘O gadver-de-gadver,’ fluisterde hij en hij draaide zijn ogen
omhoog. Maar we gingen naar binnen en toen stonden we op een platform
met een hek eromheen en rondom ons zagen we het water langsstromen. Dat
was het afvoerwater.
‘Ik zie een drol,’ riep Lise.
‘Die is van mij,’ riep Ole. ‘Ik herken ’m.’
‘Dat is apart,’ zei ik. ‘Heb je er een rood lintje omheen
gedaan of zo?’
‘Kijk daar, nog een!’ riep Dan.
‘Hè getver,’ riep Guro.
Iedereen schreeuwde door elkaar. Het stonk erger dan erg en ik hield mijn
neus dicht. Nu had ik mijn neusknijper moeten hebben! Mijn maag maakte
vreemde borrelende geluiden. Mijn broertje begint wel eens over poep en
pies te praten als we aan tafel zitten. Dan is het meteen mis. Voordat
iemand kan zeggen dat hij moet uitscheiden, moet ik al van tafel. Mijn
maag draaide zich om. Maar ik zou me hier doorheen slaan. Dat moest gewoon.
Plotseling zag ik een balletje aan komen drijven. Het was een klein, geel
balletje. Ik had het best willen hebben.
‘We vinden veel speelgoed hier in het riool,’ zei Snorre.
Hij had het balletje ook gezien en leunde naar voren over het hek met
een soort hark in zijn hand. Hij probeerde het te pakken te krijgen.
‘Kinderen stoppen van alles in de wc,’ zei hij. ‘Legoblokjes,
poppen, ballen, autootjes. Maar niet alleen kinderen raken dingen kwijt
in de wc. We hebben ook eens een keer valse tanden gevonden. Een echt
kunstgebit.’
‘Een echte? Zo een als mijn oma heeft?’ vroeg Ole.
‘Ja, een echte. Zo waar als ik hier sta. We hebben een advertentie
in de krant gezet. “Gevonden: gebit. Eigenaar gezocht.” Of
zoiets.’
‘Kwam die ook?’ vroeg ik.
‘Jazeker,’ zei Snorre. ‘Er kwam een oude man. Hij onderwierp
het gebit aan een langdurig en grondig onderzoek. Hij had zijn tanden
in de wc laten vallen, vraag me niet hoe hij dat voor elkaar had gekregen,
en volgens hem waren het inderdaad de zijne. Hij wandelde hier in elk
geval tevreden vandaan.’
‘Hè getver,’ zei Silje.
Ze stond naast Max. Ze stonden tegen het hek aan geleund. Ze waren samen
naar beneden gelopen door de tunnel. Nu stonden ze dicht naast elkaar.
‘Gaaf,’ zei Max.
Je hoefde niet te vragen voor wie hij zo stoer deed.
‘Wilde hij die tanden weer in z’n mond stoppen? Wilde hij
dat gebit weer gebruiken? Echt?’
Helene staarde Snorre verbaasd aan.
‘Ik denk van wel,’ antwoordde Snorre. ‘Hij is vast meteen
naar huis gegaan, heeft het grondig schoongemaakt en het weer op z’n
plaats gezet. Ik geloof niet dat hij al een nieuw had gekocht. Hij zag
eruit als een echte gierige ouwe vrek. Hij had vast op soep en pap geleefd
terwijl hij wachtte tot z’n gebit weer boven water zou komen. En
dat deed het ook. Hier in het riool.’
‘Waarom zie je zo wit, Sven?’ vroeg Lise.
‘Hou je klep,’ zei ik.
|