Fragment uit Sven en zijn rat te paard van Marit Nicolaysen

De trainer blies op zijn fluit en wenkte ons naar zich toe.
‘We beginnen met de warming-up,’ zei ik. ‘Kom nou!’
We renden een paar keer heen en weer. Aan de andere kant van het voetbalveld stonden vier paarden te kijken. Ze waren enorm groot.
‘Als de bal nou tussen die paarden terechtkomt,’ kreunde ik tegen Dan terwijl we op één been in de richting van de paarden hinkelden, ‘durf jij hem dan te gaan halen?’
‘Ben je gek! Een paard is een gevaarlijk beest. Het bijt met de ene kant en schopt met de andere kant. Bovendien poepen ze overal. Ik zweer het, Sven, je hebt niets aan die beesten. Dat er mensen zijn die iets met paarden willen – nou, die zijn echt volkomen gestoord!’
‘Sve-e-n! Joe-hoe! Hallo Dan!’
Het was Melissa. Ze was bij onze spullen gaan staan. Ze stond er samen met een ander meisje dat ik niet kende. Met blond haar en vlechtjes. Het meisje droeg rijlaarzen en aan haar arm hing een paardencap.
‘Ken je haar?’ vroeg Dan onder het rennen.
‘Dat paardenmeisje?’
Hij knikte.
‘Nee,’ antwoordde ik. ‘En Melissa zit niet op paardrijden. Dat is echt meisjesgedoe.’
‘Maar Melissa is toch een meisje.’
‘Ja, dat weet ik wel, maar ze is niet zo’n meisje. Weet je wel, zo’n My Little Pony-meisje.’
‘Ik weet wat je bedoelt,’ zei Dan en hij bleef staan.
We hadden twee van die meisjes in de klas. Die lazen boeken van de Pennyclub. Ze hadden paardenschriften en paardendagboeken en paardenpennen en paardengummen en paardenkettinkjes om hun nek en ze tekenden paarden en schreven over paarden en roken naar paarden en gingen op vakantie met paarden. Ze dachten aan niets anders dan paarden. En als we aan hen vroegen of ze paardenworst op hun brood hadden, dan werden ze heel erg boos. Voetbal was het ergste dat ze konden bedenken. Ze zeiden dat ze ’s avonds worst gemaakt van oude voetballers gingen eten!