Fragment uit Sven en zijn rat gaan raften van Marit Nicolaysen

We zouden de Femundselva-rivier af raften. We moesten eerst een heel eind de bergen in rijden. Het pilletje tegen wagenziekte zat op zijn plaats in mijn buik en meneer Jansen zat op zijn plaats erbovenop. Magnus luisterde naar de cd die hij voor zijn verjaardag had gekregen. Die had hij van mij. Ik wilde graag een Hitzone-cd voor hem kopen, maar Magnus wilde liever een stomme carnavals-cd. Nu zat hij mee te brullen met ‘Wat ben je toch dik de laatste tijd, je moet echt eens aan de lijn meid’. Het was niet om aan te horen, maar ik had tenminste even rust.
Ik word altijd een beetje duf van autorijden. Ik moet in slaap zijn gevallen, want het leek of we nog maar net in de auto zaten toen mijn vader zei: ‘Zo, we zijn er.’
Hij had de auto geparkeerd voor een groot, bruin gebouw. Op de muur stond: DE OUTDOOR-COMPAGNIE.
‘Nu kunnen we niet meer terug!’
We stapten uit de auto. Ik bleef staan en tuurde naar binnen in een hal. Er hing een rek met helmen en zwemvesten.
Er kwam een jongeman tevoorschijn.
‘Hallo, ik heet Lars. Zijn jullie degenen die gaan familieraften?’
‘Ja,’ zei ik.
‘Gaan we daarin?’ vroeg mijn vader terwijl hij naar een rubberboot wees die buiten voor de hal lag. Hij was blauw en hij heette de Hoop.
‘Ja, dat is hem.’
‘En hij is absoluut veilig?’ vroeg mijn moeder.
Ze was naar de boot toegelopen en duwde er met twee handen tegenaan.
‘Hij is veilig,’ zei Lars met een glimlach. ‘Hij is veel sterker dan een gewoon luchtbed, mevrouw. Speciaal geconstrueerd voor extreem zware omstandigheden in de ergste stroomversnellingen. Kom maar mee naar binnen, dan zal ik de uitrusting voor jullie bij elkaar zoeken.’
Hij verdween achter de toonbank en pakte helmen en zwemvesten van de rekken.
‘En nu nog de wetsuits…’
Hij mat ons één voor één op met zijn blik. ‘Eens kijken of ik de goede maten kan raden.’
Wetsuits! Dat was ik helemaal vergeten. Dat is zo’n rubberen pak dat helemaal strak om je lijf geplakt zit. Hoe moest ik dat in godsnaam aan krijgen terwijl ik meneer Jansen in bedwang hield? Hij kon niet in dat pak, dan zou hij platgedrukt worden en geen adem kunnen halen.
Mijn vader en moeder begonnen zich al uit te kleden. Magnus hield zijn pak in zijn handen.
‘En deze hier is voor jou,’ zei Lars.
Ik pakte mijn wetsuit aan. Het voelde koud en vies.
‘Waar kan ik me omkleden?’ vroeg ik.
‘Maar Sven, je kunt je toch gewoon hier omkleden. Wij zijn toch de enigen,’ zei mijn moeder.
Ze stond aan haar wetsuit te trekken. Het leek wel een worstvel.
‘Hier moet ik een foto van maken,’ zei mijn vader.
‘Dat moet je helemaal niet!’ zei mijn moeder terwijl ze hem strak aankeek. ‘Ga Magnus eens helpen.’
Magnus stond nog steeds met het pak in zijn handen. Hij had mijn pet op en zijn oren stonden recht van zijn hoofd.
‘Ga daar maar in de hoek achter de toonbank staan, daar kan niemand je zien,’ zei Lars.
‘Hij is een beetje verlegen. Dat zal de leeftijd wel zijn,’ zei mijn moeder verontschuldigend.
Ik keek haar kwaad aan. Toen pakte ik mijn wetsuit en mijn regenjack, dat ik eroverheen moest dragen, en liep naar de toonbank om me om te kleden.
Ik wurmde me uit mijn trui. Meneer Jansen was zacht en warm en slaperig.
‘Je blijft rustig liggen,’ fluisterde ik terwijl ik hem in mijn trui wikkelde en naast me op de grond legde. ‘Als je er nu vandoor gaat is het afgelopen met je. Vergeet wat ik heb gezegd over katten, hier zijn wolven!’
Het was misschien een beetje gemeen van me om hem bang te maken met wolven; misschien zijn katten wel gevaarlijker voor ratten, maar hij moest gewoon even rustig blijven liggen. Het was voor zijn eigen bestwil. Ik mocht hem toch wel een klein beetje bang maken.
Het pak was ijskoud, en toen ik het ophees leek het wel of het uit alle macht tegenstribbelde. Het was zwart met blauwe kniestukken. Ik vroeg me af wie het vóór mij had gedragen. Misschien had iemand er wel een scheet in gelaten.
Meneer Jansen stak zijn snuit uit mijn trui. Hij staarde me aan.
‘Wolf!’ siste ik.
Hij trok zich er geen moer van aan. Hij bewoog zijn kop onderzoekend heen en weer. Ik verloor hem niet uit het oog terwijl ik mijn regenjack aantrok. De wetsuit begon al wat warmer aan te voelen, gelukkig. Ik stopte mijn hand in mijn zak en haalde de helm voor meneer Jansen tevoorschijn. Toen pakte ik hem op en zette de helm op zijn kop.
‘Cool,’ zei ik, maar hij schudde zijn kop zodat de helm er weer afviel. Toen zag ik dat hij in mijn trui had gepoept, en precies op dat moment riep mijn moeder.
‘Ik kom!’
Ik schudde de poep uit mijn trui en veegde de vijf keuteltjes in een spleet in de vloer.
‘Katten hebben negen levens,’ zei ik terwijl ik meneer Jansen ernstig aankeek. ‘Die hebben geen helm nodig. Maar ratten hebben maar één leven!’
Ik trok de helm weer over zijn kop. Toen stopte ik hem in de mouw van mijn regenjack en liep naar de anderen toe.
Ik kreeg een geel zwemvest en een gele helm. Bovendien moest ik van die ouderwetse turnschoentjes aan, want ik mocht niet met mijn eigen gympen in de boot. Op een plank langs de muur stond een enorme hoeveelheid turnschoentjes in verschillende maten.
‘Nou, pak maar,’ zei Lars.
Ze waren allemaal nat. Er zaten geen mooie bij. En wie had ze hiervoor aangehad? Misschien had iemand wel een scheet gelaten in mijn pak en nu moest ik schoenen aan waar de tenenkaas van iemand anders in zat. En meneer Jansen had ook nog eens in mijn trui gepoept. Toen ik me voorstelde hoe het zou zijn om te raften, had ik niet echt gedacht dat ik zoveel zou moeten pikken.
Ik vond een paar witte schoentjes dat paste. Ik strikte de veters en probeerde niet te denken aan de tenenkaas.
Even later stonden we allemaal buiten. Lars maakte een familiefoto van ons voor de rubberboot, die ze op een aanhangwagen hadden getild. Toen namen we nog een foto samen met Lars. Die maakte Anne-Marie, zijn hulpje. Zij zou ons brengen en halen.
‘Hebben jullie verkering?’ vroeg Magnus.
Ik keek hem kwaad aan. Al had hij een hersenbeschadiging, dan hoefde hij zich nog niet als een idioot te gedragen!
‘Nee,’ zei Anne-Marie en ze werd heel rood. Ze gaf het fototoestel terug aan mamma, die het in de auto legde.
‘Neem je het dan niet mee?’ vroeg ik.
‘En foto’s maken tijdens het raften? Ik denk dat ik het veel te druk zal hebben met me aan de boot vastklampen, Sven,’ zei mijn moeder.
‘Maar ik kan wel…’
‘In de auto gaan zitten,’ zei ze terwijl ze het portier dichtgooide.
‘Staat je leuk, mamma, die helm,’ zei ik terwijl ik in het busje van Anne-Marie stapte. Toen gingen we op weg.