Fragment uit Venster in de nacht van Jan Michael

Zaterdag

De deur van de slaapkamer viel met een klap dicht.
‘Laten we boven gaan luisteren,’ zei Jacques. Hij schoof zijn stoel naar achteren.
Julia schudde haar hoofd. Een lok zijdeachtig zwart haar gleed voor haar gezicht. ‘Nee. Blijf zitten.’ Ze hield hem het mandje met geroosterd brood voor. ‘Neem nog wat.’
Jacques stak zijn mes in de boter, hevelde die over naar het brood op zijn bord en begon te smeren. De geopende pot chocoladepasta stond voor zijn neus te wachten.
Maar hij liet zijn mes op tafel kletteren en schoof zijn bord opzij. Hij had nu geen trek in ontbijt. Julia zat met gebogen hoofd te kauwen, maar hij zag dat zij ook geen honger meer had. Ze waren heel dik met elkaar, Julia en Jacques. Ze waren een tweeling, en hoewel ze er niet precies hetzelfde uitzagen, waren ze allebei tenger voor hun leeftijd en ze hadden hetzelfde fijne zwarte haar.
De problemen waren begonnen zodra ze aan de ontbijttafel waren gaan zitten – Jacques en Julia en hun vader en moeder.
Papa was zoals gewoonlijk fluitend de keuken binnengekomen. Hij had gel in zijn haar gedaan, waardoor het in pieken overeind stond, en hij had nettere kleren aan dan anders op zaterdag. ‘Wie heeft de krant?’ vroeg hij, terwijl hij Julia een knuffel gaf. ‘Die is nog niet bezorgd,’ zei Julia. Jacques had alleen zijn hoofd geschud; hij was zijn gewone slaperige zelf geweest, zoals elke ochtend. ‘Pech gehad, pap,’ had Julia giechelend gezegd. ‘Dan zul je met ons moeten praten.’
Daarna was alles veranderd.
‘En? Wat gaan jullie doen vandaag?’ vroeg papa.
‘Ik heb saxofoonles,’ zei Julia.
‘Zoals altijd op zaterdag,’ zei mama geïrriteerd. ‘Dat weet je toch.’ Ze stond dingen uit het keukenkastje te halen en was nog in haar ochtendjas, de ochtendjas die Julia zo mooi vond – de donkergele die mama dichtbond met een lange sjaal van Indiase zijde. Ze had haar bruine haar nog niet geborsteld; het hing in losse krullen op haar schouders.
‘Breng jij me, pap?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik ben bang van niet, lieverd. Ik moet vandaag naar kantoor. Er komt maandag een belangrijk onderzoek. Mama brengt je wel.’
Mama zette met een bons een pot jam op tafel. ‘Wat? Dat had je helemaal niet gezegd.’ Een pot honing volgde, en de pindakaas die papa zo lekker vond. Bons, bons.
Papa deed of hij het niet merkte. ‘Ik probeer op tijd terug te zijn om je naar voetballen te brengen, Jacques, maar als ik er niet ben, moet je het maar aan mama vragen.’
‘Ik snap niet waarom Jacques niet op de fiets kan,’ snauwde mama en ze trok de sjaal strakker om haar middel. ‘Wil er iemand een ei?’
‘Ma-ham!’ protesteerde Jacques. ‘Het is kilometers fietsen! En het is glad buiten, of heb je dat niet gezien?’
‘En trouwens,’ zei papa, ‘de ruitenwissers moeten nagekeken worden. Ik ga wel met de bus, misschien kun jij dan met de auto naar de garage gaan?’ Hij keek mama aan.
‘En wat doe jij verder, schat?’ vroeg hij.
‘Ik?’ zei ze. ‘Verder?’
‘Ja, jij. Ga je nog schrijven vandaag? Aan dat boek werken?’
‘Wanneer dan, Josef?’ gaf mama terug. Ze zette de doos met eieren weer op zijn plaats, want niemand had antwoord gegeven op haar eerdere vraag, en keek hem boos aan, met ogen zo grijs als de wolken buiten. ‘Wanneer heb ik tijd om te schrijven, dacht je? Dat zou ik wel eens willen weten.’
‘Je hebt het tot nu toe altijd gered,’ zei papa, nog steeds op dezelfde redelijke toon.
‘Gered!’ Ze spuugde het woord uit.
Julia zette haar glas sinaasappelsap neer. Jacques ook.
‘Wat is er?’ vroeg papa. ‘Zit je nog steeds op ideeën te wachten?’
‘Wat denk je?’ Mama zette de koffiepot met een bons op tafel. ‘Je hebt echt geen flauw benul, hè?’
Papa wierp een blik op de tweeling, zag de schrik op hun gezichten. Hun ouders maakten niet vaak ruzie, in ieder geval niet waar zij bij waren. Papa stond op, liep naar haar toe en sloeg een arm om haar heen. ‘Rustig maar.’
‘Niks rustig maar!’ zei ze kattig. ‘Hoe kan ik nou schrijven als er steeds zoveel te doen is? Jij helpt me niet. Ja, ik was van plan vandaag te gaan schrijven, terwijl jullie allemaal met je eigen dingen bezig waren, maar nu zeg je dat ik Julia weg moet brengen en waarschijnlijk met Jacques naar voetballen moet, en dan de auto nog... Dit hadden we niet afgesproken toen ik stopte met lesgeven.’
Julia en Jacques verstijfden terwijl hun moeder maar bleef doorrazen.
‘Wanneer moet ik dan schrijven, denk je, laat staan bedenken wát ik moet schrijven? Daar heb ik tijd voor nodig.’
‘Natuurlijk.’ Papa probeerde haar tot bedaren te brengen.
‘Wat nou “natuurlijk”! Je snapt er niets van, hè?’ Ze schudde zijn arm van zich af.
Zijn glimlach stierf weg.
‘Ik heb ruimte nodig in mijn dagen,’ vervolgde ze. ‘Bovendien, als ik dit boek niet schrijf...’ Ze maakte haar zin niet af. ‘Ik moet er op een of andere manier aan verder.’ Ze haalde diep adem. ‘Caroline zegt dat ik haar flat mag lenen. Ik ga er maandag heen. Dan mag jij voor de verandering eens alles regelen. Ik weet nog niet wanneer ik terugkom,’ zei ze. ‘Als ik terugkom,’ voegde ze er heel zachtjes aan toe.
‘Maandag – naar Carolines flat?’ herhaalde papa verward.
‘Je hebt me gehoord!’ En met die woorden draaide ze zich om en liep naar boven.
‘Anna!’ Hij rende achter haar aan en de deur van de slaapkamer viel met een klap dicht.