Hans Christiaan Andersen

Hans Christiaan Andersen 

Hans Christian Andersen (Denemarken, 1805-1875) was de zoon van een arme schoenlapper en wasvrouw. Op veertienjarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis met de mededeling dat hij beroemd ging worden. Dankzij een rijke beschermheer kon hij in Kopenhagen studeren en zijn schrijverscarrière uitbouwen. Zijn toneelstukken en romans kenden geen succes, maar zijn sprookjes maakten hem onsterfelijk. Hij was geregeld te gast bij vorsten en adellijke families. Zijn autobiografie die in 1847 verscheen noemde hij Het sprookje van mijn leven.


In 1835 publiceerde Andersen zijn eerste bundeltje met vier sprookjes. De titel, Sprookjes verteld voor kinderen, was bedoeld om de kritiek bij voorbaat in de kiem te smoren. Hetzelfde jaar al volgde een tweede bundel. In totaal schreef Andersen 156 sprookjes. De meeste daarvan zijn cultuursprookjes, dat wil zeggen dat hij ze niet ontleende aan de mondelinge overlevering maar ze zelf bedacht. Wel maakte hij gebruik van bekende sprookjesmotieven en -structuren. Hij gaf zijn sprookjesfiguren een eigen persoonlijkheid en vulde ze in met ervaringen uit zijn eigen leven. In ‘Het lelijke jonge eendje’ vertelde hij zijn eigen levensverhaal – het geeft niet als je tussen eenden geboren wordt, als je maar uit een zwanenei komt – maar het heeft ook iets universeels. Elke lezer zal iets herkennen in het lelijke eendje dat verstoten wordt, maar uiteindelijk uitgroeit tot een mooie zwaan.


Nieuw in de sprookjeswereld is Andersens introductie van voorwerpen uit de realiteit die hij een eigen leven en gevoelens gaf, zoals het tinnen soldaatje of de bal of de tol.


In zijn meeste sprookjes voegde hij symbolische, allegorische en religieuze elementen toe. Anders dan de volkssprookjes hebben de sprookjes van Andersen geregeld een open, tragisch slot. Het meisje met de zwavelstokjes vriest dood in de kerstnacht, maar samen met haar grootmoeder vliegt ze ‘in glans en vreugde naar Gods rijk’.


Typerend zijn de ironische en satirische toespelingen in sommige van zijn sprookjes: de trotse keizer zet hij in zijn blootje en de verwende prinses wil voor wat speelgoed zelfs een varkenshoeder kussen. Uiteindelijk zit de echte adel binnenin, zoals bij het lelijke jonge eendje.


Andersens sprookjes zijn in meer dan honderd talen vertaald en inspireerden tal van illustratoren.


Bron: Encyclopedie van de jeugdliteratuur, onder redactie van Jan van Coillie, Joke Linders, Selma Niewold, Jos Staal, uitgeverij De Fontein

Boeken: