Lieneke Dijkzeul

Lieneke Dijkzeul 

Lieneke Dijkzeul werd geboren op 7 maart 1950 in Sneek. Ze wilde vroeger schrijfster worden óf paukeniste. Het eerste leek haar het gemakkelijkst: ‘Je schrijft gewoon op wat je voelt, dan wordt het vanzelf een boek.’ Als kind schreef ze al veel. Ze hield een dagboek bij en had een aantal penvriendinnen.

Verhalen maken voor school vond ze een feest: ‘Als we in de klas een opstel moesten maken, vroeg iedereen altijd “hoeveel kantjes moet het zijn?” Maar ik vroeg juist “hoeveel kantjes mág het zijn?”‘

Uiteindelijk heeft Lieneke de pauken maar gelaten voor wat ze waren en heeft ze zich op het schrijven gestort, nadat ze eerst verschillende baantjes had gehad, o.m. als secretaresse, psychologisch assistente en medewerkster op Schiphol.

De boeken van Lieneke Dijkzeul zijn spannend. Als lezer blijf je steeds nieuwsgierig naar de afloop van het verhaal. Hoewel de boeken over heel verschillende onderwerpen gaan, komt een aantal thema’s steeds terug.

Zo speelt in al haar verhalen vriendschap een belangrijke rol. Soms zijn dat gewone vriendschappen, zoals tussen Daan en zijn vriendinnetje Eva in Hou je taai!. Maar soms gaat het over een bijzondere vriendschap, zoals de band die groeit tussen David en de oude dame Bella in De tweede viool.

Eenzaamheid is een ander thema dat vaak in Lieneke Dijkzeuls verhalen terugkeert. Zo heeft Merel Muys uit Een muis met klauwen weinig vriendjes op school en wordt ze vaak gepest. De reden waarom eenzaamheid steeds weer als thema in haar boeken opduikt, is dat Lieneke Dijkzeul meent dat ieder mens in zijn leven ooit op een bepaalde manier met eenzaamheid te maken krijgt. Dat heeft voor iedereen andere gevolgen.

Boeken:

Interview

Lieneke Dijkzeul

Hoe kwam u ertoe om het schrijven weer op te pakken?

‘Na de geboorte van mijn dochter Inger raakte ik opnieuw in de ban van kinderverhalen en kinderpoëzie. De ‘schrijfkriebel’ van vroeger kwam terug en in 1987 begon ik met het schrijven van korte verhalen. Dat was best griezelig; ik vroeg me voortdurend af of ik het wel kon. Maar het was ook heel spannend. Gelukkig werden mijn verhalen positief ontvangen. Ze werden gepubliceerd in Bobo, Okki, Taptoe, Margriet en Donald Duck en er verscheen een gedicht van mij in De Blauw Geruite Kiel, de toenmalige kinderkrant van Vrij Nederland.’

En hoe ontstond uw eerste boek?

‘Uitgeverij Zwijsen merkte de verhalen in Bobo op. Ze hebben me toen gevraagd of ik ook een verhaal voor hen wilde schrijven. De boeken die ik voor Zwijsen maak, zijn altijd voor een bepaalde serie bestemd waarmee kinderen op school leren lezen. Ik mag de inhoud van de boeken natuurlijk zelf verzinnen, maar wat de taal betreft, moet ik me aan strenge regels houden, die te maken hebben met de lengte van de zinnen, het aantal lettergrepen per woord en het gebruik van leestekens. De boeken die ik voor Zwijsen schrijf zijn daardoor heel anders dan de boeken die bij Lemniscaat verschijnen. Bij Lemniscaat ben ik helemaal vrij, zowel in onderwerpkeuze als in m’n taalgebruik.’

Terwijl Lieneke haar eerste opdracht voor Zwijsen schreef, was ze ook bezig aan een kinderboek dat later Hou je taai! zou gaan heten. ‘Ik heb het manuscript naar twee uitgeverijen gestuurd en tot mijn verbazing wilden ze het allebei uitgeven. Ik heb voor Lemniscaat gekozen, omdat de manier waarop deze uitgeverij promotie maakt voor haar boeken me wel beviel.’

Wat gaat er vooraf aan het moment dat uw boek in de winkel verschijnt?

‘Eerst krijg ik natuurlijk een idee voor een verhaal. Vaak is een kleine gebeurtenis al voldoende aanleiding voor een heel boek. De rest verzin ik er zelf omheen. Meestal ben ik dan toch wel een half jaar bezig met schrijven. Het liefst schrijf ik ‘s avonds of ‘s nachts als het helemaal stil is, dan kan ik me het best concentreren. Ik heb een eigen kamer waar het altijd een grote puinhoop is, maar waar ik me heerlijk voel. Het schrijven gaat meestal vrij vlot. Het meeste werk is het bijschaven naderhand. Dat gaat soms heel ver; over een woord of een zin kan ik een hele poos lopen piekeren. Als het verhaal af is, laat ik het door mijn dochter Inger en mijn man lezen. Als zij iets niet goed vinden, zeggen ze het eerlijk. Vervolgens stuur ik het op naar Lemniscaat. Met de redacteur of de uitgever praat ik over het boek en samen komen we tot kleine aanpassingen, veranderingen. Als het verhaal helemaal goed is, wordt het gedrukt en komt het in de boekwinkel.’

Houdt u zelf erg van lezen?

‘Ja, als kleuter had ik maar één wens: zo snel mogelijk leren lezen zodat ik me nooit meer zou hoeven vervelen. Bij ons thuis hield iedereen van lezen, maar ik was toch wel de grootste leesfanaat. Ik ging vaak naar de bibliotheek en had mijn boeken meestal eerder uit dan mijn grote zus, die me naar de bibliotheek moest begeleiden. Dat was vervelend, want ik moest altijd wachten tot zij haar boeken ook uit had.

Toen ik wat ouder was, mocht ik gelukkig alleen naar de bibliotheek. Tegenwoordig lees ik nog steeds veel, vooral jeugdboeken. De boeken van Annie M.G. Schmidt, Astrid Lindgren, Roald Dahl en Guus Kuijer behoren tot mijn favorieten. Vooral die eerste bewonder ik zeer. In haar boeken zit alles wat je als kind (en volwassene) verlangt: spanning, humor, mooie taal, en de verhalen gáán ergens over.

Vroeger was Mariska de circusprinses mijn lievelingsboek. Het ging over een meisje dat ontvoerd werd. Ik vond het heel zielig!’ Naast boeken speelt muziek een belangrijke rol in Lienekes leven. Haar moeder bracht haar in aanraking met klassieke muziek; thuis stond er altijd wel een plaat op of was de radio afgestemd op de klassieke zender. Lienekes moeder nam haar kinderen regelmatig mee naar concerten en op die avonden werden de bedtijden zonder aarzeling verschoven.

Die liefde voor muziek is ook terug te vinden in Lienekes boeken. In De tweede viool speelt een viool een grote rol en is de kat van één van de hoofdpersonen vernoemd naar de beroemde componist Paganini.

Wilt u de lezer een boodschap bijbrengen met uw boeken?

‘Ik ben erg bang dat een moraal in een verhaal er te dik bovenop ligt. Dat probeer ik altijd te voorkomen. Maar natuurlijk wil ik met mijn boeken wel wat zeggen. Ik wil de lezer graag laten zien hoe belangrijk vriendschap is; mensen moeten voor elkaar openstaan zonder dat ze zich laten beïnvloeden door andermans uiterlijk of bezit. Die “boodschap” verstop ik het liefst in een spannend verhaal – humor speelt daarbij vaak een belangrijke rol.’ Maar een recept voor een goed boek bestaat niet.

Kinderen die ook graag schrijver willen worden, geeft Lieneke Dijlzeul vaak de volgende tip: ‘Je komt een heel eind met doorzettingsvermogen, geduld en héél veel lezen om te zien hoe anderen het doen.’