Anke Felix-Faure-de Vries

Anke Felix-Faure-de Vries 

´Wat mij het meest boeit in boeken zijn menselijke verhoudingen en hoe ze soms op een onbegrijpelijke manier uit de hand kunnen lopen.’


Anke de Vries (1936) debuteerde in 1972 met De vleugels van Wouter Pannekoek. Sindsdien schreef ze een groot aantal boeken voor verschillende leeftijden, waaronder Belledonne kamer 16, Het geheim van Mories Besjoer (Zilveren Griffel 1976)en het Kinderboekenweekgeschenk in 1993, Fausto Koppie. Voor uitgeverij Zwijsen maakte ze boeken voor kinderen die net kunnen lezen, en lesboekjes. Veruit haar bekendste boek is Blauwe plekken, dat sinds de verschijning in 1992 nog altijd door veel kinderen gelezen wordt. Haar laatste jeugdroman, De rode handschoen, verscheen in 2000. In 2008 verscheen het prentenboek Raf, geïllustreerd door Charlotte Dematons. Haar werk is in meer dan tien talen verschenen.


De boeken van Anke de Vries zijn in twee soorten onder te verdelen: de verhalen die zich in Nederland afspelen en de verhalen die zich in Frankrijk afspelen. Haar Nederlandse jeugdboeken gaan over serieuze onderwerpen als mishandeling, discriminatie, criminaliteit en vluchtelingen. In de boeken die zich in Frankrijk afspelen spelen detective-achtige elementen en het verleden een rol.

Anke de Vries woont met haar man in Frankrijk. Ze houdt zich bezig met het maken van collages. 

Boeken:

Interview

Anke de Vries werd in 1936 geboren. Tijdens haar jeugd woonde ze op de Veluwe en ging ze naar de middelbare school in Ede.


‘Ik heb er weinig geleerd,’ vertelt Anke. ‘Alleen Nederlands vond ik leuk, ik kon me helemaal uitleven in de opstellen. Toen ik jaren later boeken ging schrijven, kreeg ik van mijn leraar Nederlands al mijn opstellen terug – hij had ze al die tijd bewaard!’


Toen Anke de Vries zeventien was ontmoette ze haar man, de Fransman Laurent Félix-Faure en drie jaar later trouwden ze. Voor Laurents werk moesten ze veel reizen en het gezin woonde in Pakistan, Griekenland en Frankrijk. Tegenwoordig woont Anke met haar man in Frankrijk, maar ze zijn ook regelmatig in Nederland. Anke de Vries is begonnen met schrijven op aanraden van haar man.


‘Hij zag een schrijfster in me,’ vertelt Anke, ‘en hij heeft me altijd gestimuleerd.’ Zelf had ze nooit plannen in die richting, totdat ze op een dag bij de wasserette een advertentie zag voor een cursus creatief schrijven. ‘Ik heb me opgegeven en zo is het begonnen. Ik schreef en ik schreef en hield niet meer op. Ik was zo enthousiast dat ik na een tijdje een brief kreeg van de docenten of ik alsjeblieft niet zo snel wilde schrijven – ze konden het niet bijhouden! Tijdens die cursus schreef ik een verhaal over een jongen die heel graag wilde vliegen. Met dat manuscript ben ik naar Lemniscaat gegaan. Het werd mijn eerste boek: De vleugels van Wouter Pannekoek. Mijn man heeft de tekeningen ervoor gemaakt.’


Als kind hield Anke veel van lezen. Ze vond Alleen op de wereld een prachtig boek omdat het zo zielig was, maar dat boeken later zo’n belangrijke rol in haar leven zouden gaan spelen, had ze niet kunnen vermoeden. Wat leek u dan een mooi beroep toen u kind was?


‘Ik had geen flauw idee wat ik later wilde worden. Wel had ik veel korte bevliegingen. Ik wilde een poosje niets liever dan schoonspringen van de allerhoogste duikplank. Maar ik had hoogtevrees – ik durfde nauwelijks van de lage duikplank en als ik sprong belandde ik altijd op mijn buik.


Balletdanseres worden leek me ook wel wat, maar ook dat zat er niet in. Ten eerste mocht ik van mijn ouders niet op balletles en ten tweede was ik als kind veel te dik om een elegante ballerina te zijn. Ik heb ook nog een poosje over de kunstacademie gedroomd. Tegenwoordig maak ik collages dus die droom is nog een beetje uitgekomen. Sinds ik schrijf, kan ik al mijn heimelijke wensen kwijt in mijn boeken.’


Waar haalt u de ideeën voor uw boeken vandaan?


‘Ik schrijf over wat ik meemaak, hoor of lees. Door Laurent kreeg ik voor mijn huwelijk een Franse familie cadeau. Ik heb gemerkt hoe een andere cultuur je leven kan verrijken – daar kun je ook over schrijven. Bepaalde delen van Frankrijk ken ik erg goed: ik ben vertrouwd met de sfeer, de geluiden, zelfs met de geur die in sommige dorpen hangt. Die indrukken heb ik proberen vast te leggen in een aantal van mijn boeken. Maar er zijn ook concretere aanleidingen voor een verhaal. Zo kwam ik op het idee voor Belledonne kamer 16 toen mijn zoon in de nalatenschap van zijn Franse opa een oud reisverslag vond.’


Het is voor Anke de Vries van belang dat ze haar onderwerpen en personages dicht bij huis zoekt.


‘Kinderen uit de buurt staan vaak model voor mijn boeken – ze herkennen zichzelf alleen nooit omdat ik hun naam en hun uiterlijk verander. De gebeurtenissen die ik in mijn verhalen beschrijf moeten voor mij herkenbaar zijn, ik moet er iets van af weten en me bij het onderwerp betrokken voelen, anders wordt het niks. Ik zou bijvoorbeeld nooit een boek schrijven over een ruimtevaarder of over een land waar ik nog nooit ben geweest, omdat ik onmiddellijk door de mand zou vallen. Lezers zijn heel kritisch, ze voelen het meteen als iets onecht is.’


Recensenten hebben wel eens opgemerkt dat onrecht een grote rol speelt in de boeken van Anke de Vries.


‘Dat klopt wel,’ zegt ze, ‘maar er is ook nogal wat onrecht in de wereld, daar raak je nooit over uitgeschreven!’ Kladwerk en Blauwe plekken zijn daar voorbeelden van. Het idee voor Kladwerk kreeg Anke toen ze een lezing gaf op een school waar net die nacht was ingebroken en waar van alles was vernield. Die gegevens verwerkte ze in haar boek. In Blauwe plekken wordt het verhaal van Judith verteld, die door haar moeder wordt geslagen. Kindermishandeling hield haar al langer bezig, maar Anke aarzelde om zo’n zwaar onderwerp aan te pakken.


Totdat ze op een dag een artikel in een tijdschrift las over een moeder die haar kind mishandelde. ‘Die vrouw sloeg haar kind omdat hij op haar broer leek die vroeger thuis altijd werd voorgetrokken. Door dat stuk ben ik begonnen met Blauwe plekken.


Ik ben altijd enorm geboeid door de relaties die mensen met elkaar hebben en die soms op een onbegrijpelijke manier uit de hand lopen. Kindermishandeling is een voorbeeld van zo’n uit de hand gelopen relatie tussen mensen.’


Weet u van tevoren al precies hoe een boek gaat worden?


‘Nee, ik heb meestal geen duidelijk plan in mijn hoofd, maar voor ik begin met schrijven denk ik wel veel over het onderwerp na. Tegen de tijd dat ik mijn pen pak of achter de computer kruip, weet ik wie de hoofdpersoon is, hoe hij eruitziet, wat voor karakter hij heeft… ik probeer in de huid van mijn personages te kruipen. Tijdens het schrijven kan er dan altijd nog van alles gebeuren: situaties ontstaan, mensen duiken plotseling op zonder dat ik weet waar ze vandaan komen. Die onverwachte wendingen maken het schrijven voor mij leuk en verrassend.


Toen ik begon met Het geheim van Mories Besjoer wist ik alleen dat ik een boek wilde schrijven over een Fransman die in Nederland woonde en met wie iets aan de hand moest zijn. Al schrijvend is het boek ontstaan, ik moest het zelf ook ontdekken!’ Soms gaat het echter ook wel eens anders. Het prentenboek Mijn olifant kan bijna alles heeft Anke de Vries geschreven naar aanleiding van de schilderijen van Ilja Walraven en Memo zwijgt is gebaseerd op het scenario Mohammed zwijgt van Lou Brouwers voor de film De jongen die niet meer praatte, onder regie van Ben Sombogaart.


De boeken van Anke de Vries hebben altijd op een groot lezerspubliek kunnen rekenen. Ze zijn vele malen bekroond en er zijn vertalingen van gemaakt in het Duits, Frans, Engels, Fins, IJslands, Spaans (Castilliaans, Catalaans en Baskisch), Deens, Zweeds, Italiaans en Zuid-Afrikaans. Zelf is Anke ook een echte lezer:


‘Maar ik lees heel langzaam, zin voor zin, woord voor woord. Mijn man leest me elke ochtend voor. Dat deden we ook toen de kinderen nog thuis woonden, maar dan ‘s avonds na het eten. Ook de zondagochtend was vaak een voorleesochtend. Die gewoonte zit er nog steeds in. Ik kan het iedereen van harte aanbevelen!’