Anke Kranendonk

Anke Kranendonk 

Anke Kranendonk werd in 1959 in Baarn geboren. Na de middelbare school verhuisde ze naar Amsterdam en meldde zich aan bij de Sportacademie. ‘Ik moest de hele dag rondjes rennen op het atletiekveld,’ vertelt ze. ‘Binnen twee maanden zat ik al in het gips.’ Omdat ze niet precies wist wat ze toen wilde gaan doen, besloot ze naar de Pedagogische Academie te gaan om er al lerende achter te komen wat ze echt wilde. Anke vond het leuk om kinderen voor te lezen, met hen te zingen en koekjes te bakken, maar elke dag rekenen vond ze niets – daarin kon ze haar fantasie niet kwijt.


Na de Pedagogische Academie volgde ze lessen in het acteervak en in de zangkunst en begon ze direct te spelen in een toneelgezelschap. Ze werkte mee aan verschillende televisieproducties – zoals Buurman Bolle van de VPRO – en richtte haar eigen theatergroep op, ‘Lieve Jan’, waarmee ze op alle scholen en in alle theaters van Nederland heeft gespeeld.


Anke Kranendonk schrijft haar boeken thuis en soms gaat ze een paar dagen naar het klooster. Daar is het rustig en stil en hoeft ze niet te denken aan koken, boodschappen doen en kinderen naar school brengen. Thuis leest ze over wat ze in het klooster geschreven heeft, werkt het bij en bedenkt hoe het verder moet. Het verzinnen van nieuwe stukken doet ze tijdens het hardlopen of het afwassen – zo werkt ze met haar handen en hoofd tegelijk. In haar verhalen beschrijft Anke Kranendonk op een heel herkenbare manier hoe kinderen denken en voelen. Hoewel ze niet terugschrikt voor zware onderwerpen, is de toon van haar verhalen luchtig. De boeken zetten de lezer aan tot nadenken, maar tegelijkertijd is de stijl humoristisch.


Schrijven vindt Anke net een treinreis. Je moet van A naar B. Het is de taak van de schrijver om uit te zoeken hoe dat traject verloopt en wat er allemaal in de wagons komt. In haar hoofd gaat die reis heel snel – ze heeft vaak meteen al een heel verhaal in haar hoofd. Het schrijven zelf gaat langzamer. Maar als de trein eenmaal rijdt, gaat de rest eigenlijk vanzelf. En ze komt onderweg van alles tegen waar ze van tevoren niet aan had gedacht. ‘Dat maakt schrijven zo leuk.’


Wist je trouwens dat Anke Kranendonk een tijdje de horoscoop in het maandblad Hoe overleef ik? schreef? Voor nog veel meer weetjes en informatie over Anke Kranendonk kun je terecht op haar website.


Anke is geadopteerd door Boekhandel Bloemendaal en door Boekhandel Venstra in Amstelveen. In deze winkels kunnen ze je alles over haar vertellen en misschien loop je na een bezoekje wel met een gesigneerd exemplaar de deur uit!


Anke is schoolschrijver op een school in Amsterdam.

  • Website Anke Kranendonk

Boeken:

Interview

auteursboekje

In dit jubileumboekje, gemaakt ter ere van het twintigjarige schrjversjubileum van Anke Kranendonk, lees je alle verhalen áchter al haar boeken.

… op elk rapport stond: “Gesprek gewenst.”

Wanneer bent u geboren en waar?

Ik ben op 16 mei 1959 geboren in Baarn, in een huis. Daar woonden mijn ouders nog maar heel kort; ze waren net verhuisd van een woonboot die ver weg in de polder in de rivier de Eem lag. Voor mijn moeder was dat onhandig, ze had geen auto en als ze even naar het dorp moest, moest ze een half uur fietsen. En dat met twee jongentjes en een dikke buik!
De woonboot lag achter een fabriek waar mijn vader chef was. Zo heette dat vroeger: chef. Nu ben je meteen een manager. Ook weer een buitenlands woord. Je kunt ook zeggen dat mijn vader de baas was. Gewoon de baas.

Toen wij groter werden, kocht mijn vader een zeilboot, die hij in de Eem legde, vlakbij de fabriek. Soms ging ik met hem mee zeilen, soms bleven we in de kleine jachthaven, mijn vader op zijn knieën; hij prutste aan de boot, ik deed handstand in het gras. Ondertussen wierp de zon zijn stralen over ons. En over de schoothoop, oud verroest ijzer dat in een metershoge berg achter de fabriek lag. Het verroeste afval blonk, glom en glinsterde. En ik hoopte dat de middag lang zou duren.
Maar ook weer niet. Van geluk kon ik soms pijn in mijn buik krijgen, alsof het teveel was, alsof mijn buik zo erg overstroomde dat hij zich het liefst in tranen wilden uiten.

Vond u het vroeger leuk op school?

Wat ik me van de bassisschool herinner, is dat ik me vaak heb verveeld. Ik had mijn werk altijd snel af en dan mocht ik een boek gaan lezen of een tekening maken. Op school waren ongeveer tien boeken die ik al snel had gelezen en een tekening maken vond ik de grootste straf en tijdverspilling die ik me bedenken kon. Een tekening maken, hoe zinloos. Het maken was al een ramp en het resultaat was een nog grotere ramp. Dus ging ik kletsen en heen en weer lopen. Daar waren de leerkrachten niet zo blij mee. Toen ik in de groep 5 zat (de derde klas), hadden we banken die aan elkaar vast zaten: een tweepersoons tafel met daaraan vast twee stoelen. In het midden liep een ijzeren stang. Ik klauterde een keer over de stang op weg ergens naar toe. Ik gleed uit en viel met mijn snufferd op die stang. Het deed zeer. Weet je wat de juffrouw zei? ‘Zo. Dat zal je eindelijk leren om stil te zitten.’
Ik was verbaasd, verbouwereerd, verpletterd. Hoe kon een juf zo intens gemeen zijn tegen een kind.

Tijdens de basisschoolperiode speelde ik veel buiten. Nog steeds houd ik van buitenspelen, lekker in de zon of in de wind doen waar je zin in hebt: elastieken, bokkie springen, jongens pakkertje, bomen klimmen, vechten. Want daar hield ik ook wel van. Lekker stoeien met de jongens, en als ze heeeel vervelend waren, wilde ik ook wel even een dreuntje uitdelen.
Soms schreef ik voor de schoolkrant. Volgens mij kwam hij twee keer per jaar uit en ik schreef er altijd een verhaal voor dat dan ook werd geplaatst. Of ik werd gevraagd er iets voor te schrijven. Dat dat bijzonder was, drong niet tot me door. Ik dacht dat iedereen makkelijk kon schrijven, net zo makkelijk als je over iemand kan bokkie springen.

Aan het einde van de zesde klas (groep 8) was er de bonte avond. Die werd niet gevuld met een ingestudeerde musical, maar met zelfgemaakte toneelstukjes, liedjes en dansjes. Ik geloof dat ik in ieder toneelstukje meedeed, maar de klapper (voor mij) was het toneelstuk “Schele Jetje”. Een stuk dat ik zelf had geschreven, waarin ik de hoofdrol speelde, namelijk Schele Jetje en dat ik zelf regisseerde. Nu was ik vroeger nogal een heks, het moest precies zo gaan zoals ik het wilde. Volgens mij was ik op de zolder van onze school, waar we het stuk instudeerden, een ware tiran voor mijn klasgenoten. Ik kan me niet meer herinneren of het stuk uiteindelijk een solo is geworden (Dus dat ik alleen op het podium stond omdat de anderen niet meer wilden meedoen). Wel weet ik dat ik drie dagen hoofdpijn heb gehad van het scheelkijken.

De middelbare school was van een heel ander kaliber. Na ieder lesuur moest je van lokaal wisselen. Altijd kwam ik wel iemand tegen die ik kende, die ik gedag zei en aan wie ik vroeg hoe het ging. Meestal niet zo goed, of juist wel. Ik hoorde de gesprekken aan, gaf wat goede raad en kwam te laat in de volgende les. Docent boos, maar ik niet, want ik had alweer lol, om de docent of om een klasgenoot. Hoeveel tranen ik heb gelachen tijdens de lessen, weet ik niet, maar dat de waterspiegel nog steeds stijgt, verbaast me niets.
Maar dan kwamen de schriftelijke overhoringen of de repetities, die ik vaak net vergeten was te leren. Maakte niet uit, ik fantaseerde wel wat, en op het laatst schreef ik een gedicht voor de docent, had hij tenminste een leuk momentje tijdens het nakijken. Ik schreef ook gedichten voor die zielige medescholieren van me. In de vierde klas zaten overwegend jongens, die hard en serieus studeerden. Ze waren dan ook bliksems goed in wis- natuur- en scheikunde. Stoïcijns keken ze voor zich uit, terwijl ik ze huwelijksaanzoeken deed. Voor de grap natuurlijk, want zo verliefd was ik niet op ze. (Dat was ik op oudere jongens). En ach, die schatjes uit mijn klas schoof ik ook wel eens een (liefdes)gedicht onder hun neus. Dan wisten ze niet zo goed hoe ze moesten reageerden en lag ik alweer gevouwen over mijn tafel.
Maar de jongens gingen over naar de volgende klas. En ik… op elk rapport stond: “Gesprek gewenst.”

Toch was dat niet het enige wat ik op school deed. Ik droomde ook veel; nadenken, piekeren, over het leven waar ik niets van snapte, over de liefde die ineens voorbij was, over een docent die gemeen tegen een stotterend kind deed, over God of die nou wel of niet bestond.
En ondertussen voerde ik gesprekken met medeleerlingen, als ze ergens mee zaten, klopten ze bij mij aan.
Er bleef dus weinig tijd over om de lessen gewoon te volgen.

Haalde u goede cijfers?

Pfff.

En als ik dan klaar was met school, ging ik gymnastieklessen geven aan kinderen vanaf vier jaar tot en met kinderen van mijn eigen leeftijd. ‘s Avonds gaf ik vaak ook nog de moeders les.
En in het weekend werkte ik in een bejaardentehuis, reuze gezellig.

Schreef u ook voor de schoolkrant?

Ik kan me niet meer herinneren of er een schoolkrant op de middelbare school was. Als die er was, dan heb ik er zeker in geschreven! Wel speelde ik mee in elk toneelstuk dat opgevoerd werd op de middelbare school.

Wat waren vroeger uw lievelingsboeken?

In de vierde klas van het atheneum hadden we een docent Nederlands. Soms gaf hij geen les, maar liet ons een boek uit de schoolbibliotheek halen en liet ons het hele uur lezen. Iedere leerling adviseerde hij een boek dat hij bij de leerling vond passen. Mij adviseerde hij: Mannekino van Sybren Polet. Het ging over een briljant kind dat een volwassen man manipuleert. Het kind laat de man voor hem beleggen en al snel is het kind miljonair. Ik vond het een geweldig boek. Eindelijk eens een volwassen mens die liet zien dat een kind verschrikkelijk slim en tot veel in staat kan zijn. Eindelijk eens een kind dat een volwassene in de tang heeft in plaats van andersom.

Ik heb alle boeken van Sybren Polet gelezen en er een eindexamenscriptie over geschreven. We hadden geen gewone examens, maar mijn docent Nederlands deed mee aan een experiment: twee literaire scripties schrijven en een maatschappelijke. De ene dus over Sybren Polet en de andere over Anton Koolhaas (o.a De hond in het lege huis). De derde scriptie ging over “de jeugd van tegenwoordig”. Wat een feest om te doen! Ik meldde me ziek en sloot me een week op in mijn zolderkamertje; lezen en schrijven, heerlijk.
Waarom en wanneer bent u met schrijven begonnen?
Toen ik ongeveer 33 jaar oud was, had ik in één jaar tijd een aantal mensen verloren waarvan ik veel hield. Ze werden ziek en stierven, of ze werden niet ziek maar stierven zomaar. Ik had sterk de behoefte om daar over te schrijven. Een boek, en geen toneelstuk of lied, zoals ik eerder deed voor het (jeugd)theater waarin ik speelde. Ik schreef een verhaal en dat werd meteen uitgegeven.

Vindt u het moeilijk om te schrijven?

Ja! En Nee!

Hoe lang doet u over een boek?

Hoe lang ik over en boek doe, hangt er natuurlijk helemaal van af. Hoe dik het boek is. Maar ook hoe moeilijk het boek is. Soms gaat het in een keer goed. Dan schrijf ik vier maanden achter elkaar. Dan leg ik het weg, dan verander ik er wat aan en dan stuur ik het op, na een half jaar. Soms is het boek bijna in 1 keer goed, soms moet ik het herschrijven en dan gaan er weer maanden overheen. (geheimpje? Met 1 boek ben ik al tien jaar bezig. Niet altijd hoor, het ligt nu alweer vier jaar in de kast. Maar op een gegeven moment haal ik het eruit en ga ik er weer mee verder.)

Hoe en waar schrijft u?

Ik schrijf meteen op de computer. Met de hand schrijven is wel fijn, maar dan moet ik het later weer in de computer zetten. Dus heb ik het me aangeleerd om meteen op het toetsenbord te ratelen.

Ik schrijf thuis, in mijn werkkamer. Soms ga ik naar het klooster. Daar ben ik dan een dag of vijf, ik schrijf de hele dag en eet gezellig met de paters en de nonnen mee. Rustig, vertrouwd en productief. En als het thuis een beetje te vol en te druk is, heb ik ergens in de buurt een tuinhuis of een zolderkamer waar ik kan werken.

Hoe komt u op ideeën voor uw boeken?

Boeken schrijven is net als een cake bakken, of een brood, of een boterkoek. Je doet allerlei ingrediënten in een kom, bij het ene wat meer bloem, bij de andere wat meer suiker. Zo is het met schrijven ook: er zit altijd iets van mezelf bij, iets waar ik stiekem bang voor ben, of waar ik stiekem erg boos over ben. Er zit ook altijd iets in wat ik bij andere mensen zie. Soms iets wat ik uit de krant heb gehaald. Zo als ik laatst las: postbode heeft huis vol post. De brieven stapelden zich op. Waarom? Dat zou een boek kunnen worden.

Voor welke leeftijd schrijft u het liefst, en waarom?

Ik schrijf voor heel jonge kinderen en voor heel oude kinderen en ik vind het allemaal heerlijk om te doen. De ene keer kruip ik in de huid van een kleuter. De andere keer leef ik me in in een puber. Ook fijn. Ik schrijf over iets dat me raakt, dat me boos maakt, of verdrietig, bang, eenzaam. Langzaamaan komt er een verhaalidee en daar past een kind in, een kind van een bepaalde leeftijd die mijn verhaal goed kan vertellen.

Welk soort boeken schrijft u het liefst?

Leuke, zielige, ontroerende en vooral grappige boeken.

Zijn er ook boeken die u nooit zou willen schrijven?

Ja, over van het bloed druipende monsters die in het echt niet bestaan, maar in een fantasiewereld leven en dan van die enge lange nagels hebben en zwarte druppels uit hun ogen laten komen. Ik pies nu al in mijn broek van angst, dus bij een heel boek wordt het een nog grotere ramp met de zeespiegel.

Welke van uw boeken vindt u zelf het beste?

Allemaal! Weet je, ik heb drie kinderen. Als je aan mij zou vragen: wat vind je je beste kind. Of: welk kind vind je het leukst? Dan ga ik enorm stralen en vertel over alle drie de kinderen waarom ze zo leuk en zo goed zijn. Zo is dat ook met mijn boeken. Alle personen die ik verzin (personages) daar ga ik van houden. En allemaal weer op een andere manier. De een is verlegen, de ander juist heel doortastend, de volgende is erg grappig. Allemaal anders en allemaal even goed.

Hoeveel boeken heeft u al geschreven?

Ik heb al 65 boeken geschreven (december 2008).

Heeft u wel eens een prijs gewonnen?

Ja, ik heb wel eens een prijs gewonnen. Ik stik van de medailles, ik heb ze allemaal bewaard. Gouden plakken van de plaatselijke zwemwedstrijden, gouden, zilveren en bronzen munten met linten eraan van turnwedstrijden, oorkondes voor de hoofdrol in een TV serie, oorkonde voor een bijzonder boek. Allemaal fijn.

Welk boek wilt u zeker nog schrijven?

Dat… is ook nog een geheim.

Wat vindt u de mooiste boeken van de wereld?

Boeken die me -beng – in mijn hart raken.

Wie is uw grote voorbeeld?

Ik heb geen echte voorbeelden, hoewel ik Guus Kuijer altijd erg goed vond en vind. Hij weet echt over kinderen te schrijven en daar houd ik van.

Wat doet u nog meer behalve schrijven?

Schrijven is mijn beroep, dat doe ik dus heel veel. Ook ga ik naar scholen om over mijn werk te vertellen. Soms geef ik les, in schrijven, in voorlezen, in toneelstukjes maken, in toneelspelen.
En ter afwisseling ren ik in de duinen of zwem ik baantjes in het zwembad, of in het meer in de duinen.

Heeft u huisdieren of kinderen?

Ik begin met mijn kinderen. Ik heb een dochter en twee zoons. Ze zijn prachtig, lief, intelligent, muzikaal, aardig, etterig vervelend soms en ze maken nooit hun huiswerk.

Speelt u ook een instrument?

Ik kan gitaar spelen, maar ik vind het het leukst om te zingen. Hoge tonen vol vibratie! Maar dat mag niet van mijn kinderen, die worden daar zenuwachtig van. Dus zing ik in koortjes. Soms in drie, soms in twee of een. Momenteel zing ik zo af en toe. Hoge sopraan, dat wel.