Jan Terlouw

Jan Terlouw 

Jan Terlouw (1931, Kamperveen) werkte jaren als kernfysicus voordat hij in 1970 besloot de politiek in te gaan. Hij was onder meer fractievoorzitter van D66, Minister van Economische Zaken, Commissaris der Koningin in Gelderland en senator van de Eerste Kamer. Tegelijkertijd debuteerde hij als kinderboekenschrijver met Pjotr en Oom Willibrord. Zijn bekendste boeken zijn Koning van Katoren (bekroond met een Gouden Griffel en verfilmd in 2012) en Oorlogswinter (naar de verfilming in 2008 kwamen bijna een miljoen bezoekers).


Naast de jeugdboeken die bij Lemniscaat zijn verschenen heeft Jan Terlouw een aantal korte verhalen en boeken geschreven, waaronder De Derde Kamer, Naar zeventien zetels en terug en Achter de barricaden (uitgeverij L.J. Veen). Samen met zijn dochter Sanne schrijft hij detectiveboeken. In 2011 verscheen bij Lemniscaat Hoed u voor mensen die iets zeker weten, een verzameling van beschouwingen, herinneringen, gedichten, sprookjes en toneelteksten. In 2010 werd Jan Terlouw door onderzoeksbureau Hendrik Beerda uitgeroepen tot de schrijver met de sterkte reputatie.

Boeken:

Copyright: Sanne Terlouw

Jan Terlouw

Jan Terlouw werd in 1931 geboren als zoon van een dominee. Hij was de oudste zoon thuis en had nog twee broers en twee zussen. Hij groeide op in de Veluwse dorpen Garderen en Wezep waar zijn vader predikant was. Beide dorpen hebben later model gestaan voor zijn boeken; Garderen wordt beschreven in Bij ons in Caddum en Oorlogswinter speelt in het dorp Wezep, al noemde Terlouw het in zijn boek de Vlank. Jan Terlouw kreeg de liefde voor verhalen met de paplepel ingegoten; zijn vader was een man die graag vertelde.


Heeft die liefde voor verhalen u ertoe gebracht zelf verhalen te gaan schrijven?


‘Het heeft er indirect denk ik wel mee te maken. Toen ik zelf vader was geworden van vier kinderen vertelde ik hun ook altijd verhalen. Ik heb ze maar één keer een boek voorgelezen, dat was Alleen op de wereld, de rest verzon ik zelf.


Op een gegeven moment vonden mijn vrouw en kinderen dat ik die verhalen eens op moest schrijven – zo ben ik begonnen. Mijn vrouw las mijn verhalen, corrigeerde ze en daarna stuurde ik ze naar kinderboekenschrijver Paul Biegel om te vragen wat hij ervan vond.


Volgens Paul Biegel was het moeilijk om als beginnende schrijver met verhalen door te breken en hij raadde me aan eens een boek te schrijven. Die raad heb ik aangenomen.


Geïnspireerd door een reis naar Rusland die ik voor mijn werk had moeten maken, schreef ik Pjotr. Daarna zijn mijn verhalen over oom Willibrord ook gepubliceerd.’


Voordat van Jan Terlouw in 1970 zijn eerste kinderboek verscheen, had hij al een hoop andere dingen gedaan. Als kind wilde hij eerst boer worden, toen piloot en daarna chirurg, maar uiteindelijk heeft zijn hartstocht voor wis- en natuurkunde gewonnen en is hij gaan studeren.


Toen in 1966 de politieke partij D66 werd opgericht, was Terlouw zo enthousiast over hun ideeën dat hij vrijwel onmiddellijk lid werd van de partij. En het bleef niet bij een lidmaatschap – het was het begin van een lange carrière in de politiek.


Heeft uw politieke loopbaan ook sporen nagelaten in de boeken die u heeft geschreven?


‘Ik heb in mijn verhalen altijd discussiestof willen bieden over maatschappij en milieu. De ‘boodschap’ die ik mijn lezers mee wil geven, heeft alles te maken met mijn politieke idealen. Zo laat Stach uit Koning van Katoren bij het vervullen van zijn eerste opdracht zien dat democratie het allerbelangrijkste is in een samenleving. Als mensen ophouden met elkaar te praten, komt er nergens meer iets van terecht.


In een aantal van mijn boeken laat ik zien hoe sommige mensen macht misbruiken, zoals de bestuurders in Oosterschelde windkracht 10 en de ministers in Koning van Katoren. Ik denk dat macht alleen goed kan worden uitgeoefend als zij gekozen en gecontroleerd is en als zij van tijdelijke aard is. Soms kan iemand zijn natuurlijk overwicht ook verkeerd gebruiken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Gevangenis met een open deur waarin de sekteleider zijn macht voor verkeerde doelen aanwendt.


Mijn belangstelling tijdens mijn werk is altijd primair uitgegaan naar milieubeheer en economische zaken. Ook die fascinatie is terug te zien in mijn boeken: Oosterschelde windkracht 10 geeft een duidelijk beeld van de argumenten voor en tegen de volledige afsluiting van de Oosterschelde.


Ik vind het leuk in een verhaal een traditionele visie tegenover nieuwe inzichten te plaatsen. Tijdens mijn lidmaatschap van de Tweede Kamer was ik nauw bij de besluitvorming rond de Oosterschelde-dam betrokken.’


In hoeverre is uw werk autobiografisch?


‘Dat is moeilijk te zeggen. Ik zuig veel uit mijn duim, maar sommige dingen in mijn boeken zijn wel echt gebeurd, bijvoorbeeld in Oorlogswinter. Ik was acht toen de oorlog uitbrak en ik heb die vijf jaren onder de Duitse bezetter heel bewust meegemaakt. Enkele ervaringen uit die tijd heb ik verwerkt in dat boek.


Mijn grootste angst toen was dat mijn ouders gegijzeld zouden worden. Mijn vader was twee keer opgepakt en beide keren hadden ze tegen hem gezegd: “Morgen schieten we je dood.” Dat laat ik de vader van Michiel in mijn boek ook overkomen. Hem schieten ze ook echt dood, mijn vader gelukkig niet. Maar ik heb niet alles zelf meegemaakt. Die overval op het distributiekantoor bijvoorbeeld, daar was mijn buurjongen bij betrokken.


Sommige verhalen zijn ook ontstaan vanuit een gebeurtenis die ik zelf heb meegemaakt, maar het verloop van het verhaal is voortgekomen uit mijn eigen fantasie. Zo kreeg ik het idee voor De kunstrijder toen ik een aantal jaren in Parijs woonde en me bezighield met transport. Op een gegeven moment kwam ik in aanraking met vervoer van gehandicapten. Dat zette me aan het nadenken over mensen die een bepaalde lichaamsfunctie moeten missen. Gehandicapten kunnen vaak veel meer dan mensen denken; mijn boek kun je misschien wel zien als een pleidooi voor de emancipatie van mensen met een handicap.’